China Miéville over Oktober 1917 (deel 2): ‘Optimisme is iets anders dan hoop’

Eric Blanc – In Salvage snijd je regelmatig thema’s als hoop en wanhoop aan. De teneur van het tijdschrift wordt gevat in het pleidooi voor een ‘streng revolutionair pessimisme’ ; een van de slogans is : ‘Hoop is kostbaar en moet dus flink gedoseerd worden’… Ik stel me daar vragen bij, misschien omdat het grootste deel van mijn onderzoek is gewijd aan revolutionairen van de Tweede Internationale. Je zou kunnen beweren dat veel van hun successen en ook hun politieke boodschap zijn ingebed in een heel sterk optimistische zienswijze. Vandaag worden hun opvattingen vaak meewarig weggezet als uitingen van een fatalistisch vooruitgangsgeloof of een overdreven optimisme over de uiteindelijke overwinning van het socialisme. Ik zie er echter wel een essentieel rationele overweging in. Het doen leven van hoop functioneerde als een politieke ingreep in de klassenstrijd. Ze gaven de arbeiders het vertrouwen in zichzelf en in hun kansen om overwinningen te behalen. Hoop wordt zo tot op zekere hoogte een zichzelf vervullende voorspelling – als de arbeiders geloven dat ze kunnen winnen dan zullen ze meer geneigd zijn om de strijd aan te gaan, waardoor vervolgens het behalen van een overwinning waarschijnlijker wordt.

Het gaat hier eigenlijk om een van de belangrijkste verschillen tussen bolsjewieken en mensjewieken. De mensjewieken verweten Lenin en zijn kameraden voortdurend dat ze een overdreven vertrouwen in de arbeidersklasse hadden. Dus hoe kijk je dan naar de politiek van hoop en wanhoop in 1917? Welke aspecten van die verschillende benaderingen kunnen relevant zijn vandaag, met name nu er een zekere heropleving van hoop is over Corbyn?

China Miéville – Nadezhda Lokhvitskaya aka ‘Teffi’ plaagde Lenin door te zeggen dat als Lenin een ontmoeting had met Zinoviev en er op dat moment vijf paarden bij stonden, hij in staat was te beweren ‘dat we met zijn achten waren’.  Iedereen die politiek actief is geweest en dus weet hoe men ter linkerzijde de neiging heeft om alles wat grootser voor te stellen, kan niet anders dan lachen bij het lezen van die anekdote. Plus ça change…

In ieder geval, natuurlijk is een basale vorm van hoop onmisbaar : als je niet gelooft dat er ook maar enige mogelijkheid tot fundamentele verandering bestaat, dan heeft het geen zin om ervoor te strijden. Dat is alvast een manier waarop hoop essentieel is voor het realiseren van maatschappelijke verandering.

Toch bestaat er ook een gebanaliseerde soort van hoop, die vaak niet te onderscheiden is van optimisme (dit is een punt dat Terry Eagleton aanhaalt in zijn recente boek). Optimisme is iets anders dan hoop. Als je standaard een optimistische houding aanneemt, zit daar geen logica in. Je vertrekt dan vanuit een geloof (en ik zou eraan toevoegen dat het om een weinig overtuigende vorm van geloof gaat die naar mijn inschatting vaker wel dan niet een teken is van onderdrukte wanhoop). Optimisme en pessimisme zouden het resultaat moeten zijn van een analyse van concrete omstandigheden, willen we dat die begrippen echt iets betekenen. Je kan in de ene situatie pessimistisch zijn en in de andere optimistisch.

Je had het over het politieke nut van hoop, en je bedoelt dit niet enkel in de zin van een fundamentele ‘basishoop’. Zoals ik al zei, beschouw ik deze laatste natuurlijk niet als problematisch. De zogezegd noodzakelijke performatieve functie[1] van hoop echter vind ik een heel andere zaak. We hebben het dan over het idee dat we optimisme moeten uitdragen (en dat meestal op een nogal opgefokte manier) omdat dat de werkende klasse kan inspireren en tot actie aansporen. Ik heb verschillende bezwaren tegen die benadering. Een ervan is dat ze mogelijks intellectueel oneerlijk en politiek onjuist is, net omdat de imperatief die ervan uitgaat een concrete analyse overschaduwt. (Dit gebeurt uiteraard voortdurend : we kennen allemaal wel voorbeelden van onnozelaars die met veel getoeter een bepaalde aanpak bejubelen, terwijl het duidelijk is dat ze onzin verkondigen waar ze ook zelf niet in geloven.) Ik denk trouwens dat we onvoldoende stilstaan bij de prijs die we betalen voor dit soort van optimisme, des te meer daar het toch de bedoeling is om mensen gemotiveerd en betrokken te houden. Als ik terugkijk op mijn eigen ervaringen met activisme, heb ik de indruk dat ik meer mensen heb weten afhaken door een teveel aan betekenisloos optimisme dan door pessimisme. Ik heb het over mensen die opgebrand raken nadat ze al te vaak te horen kregen dat nog net die extra inspanning verandering zou brengen, dat er altijd iets te winnen valt, dat er steeds en overal kansen en enorme opportuniteiten zijn. Mensen wiens engagement beladen wordt met schuld- en schaamtegevoelens omdat ze eigenlijk vinden dat de situatie net erg penibel is. En dan heb ik het nog niet over de schaamte die hen bekruipt wanneer er geen successen worden geboekt, terwijl hen werd verteld dat het allemaal wel zou lukken, als ze maar doorbeten. Immers, dan moet het wel aan hun eigen falen te wijten zijn.

Natuurlijk lopen de zaken soms ook goed, maar dat rechtvaardigt dat soort banale optimisme niet. Voor alle duidelijkheid, ik ben ongelooflijk blij met de snelheid waarmee Corbyn aan draagvlak wint. Er waren een paar waarnemers die dit correct aangevoeld en ingeschat hebben, en voor hen heb ik veel respect. Maar deze politieke wending spreekt niet al die anderen vrij die de voorbije dertig jaar niets anders hebben gedaan dan moraliseren en mekkeren. Een gestopte klok geeft ook af en toe het juiste uur.

Ik heb omwille van die redenen al een tijd vermeden het woord ‘hoop’ vaak te gebruiken. Niet dat ik geen hoop koester – althans in de diepere betekenis ervan, Eagletons weergaloze ‘hoop zonder optimisme’ – maar aangezien de andere versie van ‘hoop’ zodanig hegemonisch was, zeker binnen de Britse linkerzijde, kon ik het amper nog verdragen om erover te horen. Gelukkig voel ik dat nu dankzij het succes van Corbyn verschuiven, zowel in mezelf als breder in de samenleving. Ik ben nu een heel stuk hoopvoller, zelfs optimistischer, dan ik in jaren ben geweest. Daarmee wil ik niet gezegd hebben dat ik geen realiteitszin aan de dag leg. Ik vind het cruciaal om de schaal in te schatten van hetgeen ons nog te wachten staat, ook nu, met Corbyn, misschien zelfs vooral nu. Niet in het minst omdat ik ervan overtuigd ben dat het ons minder afhakende activisten zal kosten en dat het voor veel mensen des te motiverender zal zijn.

Blanc – De bolsjewieken en de revolutionairen van de Tweede Internationale waren toch oprecht hoopvol en optimistisch, ze geloofden er echt in.

Miéville – Ik heb er uiteraard geen probleem mee wanneer een specifieke analyse leidt tot de inschatting dat een bepaalde situatie positief potentieel heeft. Zoiets kan je zien als concreet optimisme. Ik kan het daar vervolgens wel of niet mee eens zijn, er is stof voor een redelijk debat onder kameraden. Wat betreft het optimisme van de bolsjewieken en hun politieke succes, sta me toe dat ik eerder sceptisch ben over de mate waarin die in een causaal verband staan, en niet gewoon in een correlatie. Misschien was het succes hoofdzakelijk een uitkomst van meer algemene politieke tendensen, zodanig dat het relatieve belang van een optimistische dan wel pessimistische houding van de bolsjewieken verwaarloosbaar was binnen de grote historische ontwikkelingen.

Er waren overigens ook onder de bolsjewieken pessimisten, wat niet wil zeggen dat ze er daarom geen voorstander van waren om de macht te grijpen. Ik wil daarmee aangeven dat er niets ongewoons is aan mensen die strijd voeren voor de zaak waarin ze geloven, omdat dat ze die zaak noodzakelijk en ook realiseerbaar achten, en die tegelijkertijd niet zeer zeker zijn over de kansen op slagen.

Blanc – Een deel van de erfenis van de Russische Revolutie bestond uit het stimulerende effect dat voor een internationale trend van marxistische partijvorming zorgde ; een fenomeen dat algauw als leninisme gekend zou worden. Van toen dateert het nog steeds actuele debat over de eigenschappen van de oorspronkelijke bolsjewistische partij en de vraag welke elementen ervan algemeen geldig kunnen zijn. Wat ik sterk waardeer in je boek is dat je zowel een beschrijving geeft van de moeilijkheden, spanningen en vergissingen binnen de bolsjewistische partij als van haar sterktes en haar aandeel in het mogelijk maken van de Oktoberrevolutie. Wat is volgens jou vandaag de relevantie van deze traditie van partij-opbouw ?

Miéville : Ik heb geen probleem met de partij als vorm voor een politiek project ; ik ben geen horizontalist. Dit gezegd zijnde voeg ik als caveat (waarschuwing) toe dat het absurd zou zijn om gewoon oude structuren te kopiëren omdat ze bleken te werken voor de bolsjewieken (helaas is dat soort kitsch een probleem ter linkerzijde). Wat ik nog steeds erg doortastend vind is hoe het leninisme een theorie van het bewustzijn aanreikt, de fundamentele inzichten over hoe bewustzijn werkt en hoe het verandert.

Blanc – En de ongelijke tred ervan in het bijzonder…

Miéville – Ja, ook binnen de partij, zelfs binnen de kringen aan de top. Uit anarchistische hoek (en ook wel vanuit kringen van vals ‘democratisch’ rechtse strekking) komt er soms het verwijt dat de noties en principes van de partijstructuur – zeker het idee van een ‘voorhoede’ – elitair zijn en getuigen van minachting voor de arbeidersklasse. De meeste van dat soort aanvallen zijn zonder meer kwaadwillig, maar wat de meer gedegen kritiek betreft is mijn repliek : ik denk dat mensen van ideeën veranderen. Ik heb dat zelf vaak gedaan, ook toen ik lid was van een politieke partij. De vraag die bijgevolg van belang is, is hoe politieke subjectiviteit verandert. Het ongelijkmatige tempo waar je net naar verwees, wisselt ook doorheen de tijd. Mijn idee is dat de partij – voor zover ze geen fetisj wordt – helemaal geen slechte manier is om zich met een politiek project te verhouden tot de wetenschap dat bewustzijn een factor is, dat het een ongelijkmatige ontwikkeling kent.

Blanc – In Trotski’s Geschiedenis van de Russische Revolutie zegt hij dat de bolsjewistische partij, ondanks al haar substantiële zwaktes, ‘een vrij nuttig instrument voor de revolutie vormde’.

Miéville – Juist, de partij is een middel, ik probeer daar niet al te sentimenteel over te doen. Verder is het interessant om vast te stellen dat de partij vaak ook remmend en beteugelend optrad, en niet steeds als een bron van instructies voor actie en oproer. Ik vind het best frappant om te zien dat de sleutelmomenten van dramatische politieke episodes (niet enkel de Russische Revolutie) vaak niet draaien om een ‘voorhoede’ die mensen beveelt wat ze moeten doen. In belangrijke mate zijn het net momenten waarop er een poging wordt ondernomen om verhitte gemoederen een halt toe te roepen, aan te zetten tot terughoudendheid, om grip te krijgen op een weliswaar begrijpelijke maar gewelddadige klassenwoede.

Aanvallen van de rechterzijde tegen linkse partijen waren en zijn legio. Nu is het zo dat de linkerzijde zelf ook niet altijd haar eigen best vriend is geweest. Dat komt omdat haar verhouding tot de partij als politiek project erg sentimenteel en kitscherig kan zijn, waarbij de partij een doel op zich wordt.

Blanc – Wanneer je de geschiedenis induikt en deze grondig onderzoekt, valt het daarom des te meer op in welke grote mate de bolsjewieken van gedachten veranderden in de loop der jaren, hoe vaak ze vergissingen begingen, en bijgevolg hoeveel politieke kwesties ook voor socialisten vandaag nog onbeslist blijven. Het is niet dat marxisten zoiets ontkennen, maar de historiografie die we produceren blijft doorgaans toch wat onkritisch. Dat maakt dat de lessen die we eruit trekken wel eens wat oppervlakkig en steriel blijven.

Miéville – Ik raak soms gefrustreerd over het onvermogen van velen ter linkerzijde, ook bij de bolsjewieken, om een fout te erkennen. Dat is de reden waarom ik in mijn boek wat spottend doe over Lenins respons op de situatie met Kornilov[2]. Het is de enige keer dat hij ook maar enigszins in de buurt komt van het toegeven van een vergissing. En zelfs dan, wanneer hij het heeft over ‘de ongelooflijke en uiterst scherpe ommezwaai in de ontwikkelingen’, laat hij precies uitschijnen alsof het de realiteit zelf is die in de fout ging. Als je het mij vraagt zouden we komaf moeten maken met die allergie tegen het erkennen van inschattingsfouten. Ook vandaag is dat nog zeer gebruikelijk.

Blanc – Tijdens het lezen van ‘October’ raakte ik onder de indruk van de grote hoeveelheid onderzoek die je erin hebt gestoken. Het is duidelijk dat je met grote toewijding het historiografische luik van je project hebt uitgewerkt. Ik kan me voorstellen dat veel van de lezers die nog niet erg vertrouwd waren met de geschiedenis van de Russische Revolutie dit in minder mate zullen opmerken. Zijn er zaken die je door het vele lezen en het schrijven aan ‘October’ anders bent gaan bekijken dan wanneer je eraan begon?

Miéville – Het is heel fijn om je dat te horen zeggen. Ik heb veel te danken aan jou en aan andere specialisten die zo welwillend waren om samen door de eerste versie van mijn boek te gaan en commentaren te geven. Hoewel ik me in de eerste plaats richt op een lezerspubliek zonder specifieke achtergrondkennis, vind ik het even belangrijk dat kenners terzake, of ze het nu met me eens zijn of niet, zullen zeggen dat ik tenminste mijn huiswerk goed heb gemaakt.

Zelf was ik geen nieuweling in de materie toen ik met mijn lees- en voorbereidingswerk begon, maar een echt gedetailleerde kennis had ik evenmin. Wat de grote lijnen betreft, ben ik niet echt tot radicaal andere inzichten gekomen. Wel kan ik nu beter de maat nemen van zaken waar ik al iets over wist, maar slechts oppervlakkig. Ik heb een scherpere kijk gekregen op eerdere intuïtieve ideeën en aannames. Een van de dingen die je bijvoorbeeld vaak hoort ter linkerzijde is dat er veel interne meningsverschillen waren binnen de bolsjewistische partij. We zeggen dat soms bijna zonder nadenken, om te bewijzen dat het geen monolithische partij was.

Blanc – Marxisten hebben de neiging om dat te poneren, om vervolgens voort te gaan met te beweren dat Lenin bijna altijd en over bijna alles gelijk had.

Miéville – Inderdaad, maar kijk, ik ben erg onder de indruk van de omvang van het interne debat, dat voor constante animo binnen de partij zorgde. Tegelijkertijd werd ik ook overvallen door het besef dat het indertijd voor iedereen duidelijk was dat er iets stond te gebeuren, waarmee ik niet wil gezegd hebben dat de gebeurtenissen in oktober historisch onontkoombaar waren. Maar het land bevond zich in een chaotische rush richting … iets … een sfeer die bijna apocalyptisch te noemen valt. De kracht van die stuwing was erg sterk. Zulke inzichten, die ik voordien eerder als een vaag aanvoelen had, heb ik door het schrijven van dit boek meer kunnen uitdiepen en stofferen.

Op microniveau heb ik voor mezelf wel echte ontdekkingen gedaan. Zo bijvoorbeeld in verband met de stellingen in het werk van de historicus Lars Lih. Ik volg hem zeker niet over de ganse lijn – zo denk ik dat er een grotere afstand is tussen het oude bolsjewisme en het nieuwe leninisme dan hij impliceert. Toch vind ik zijn werk onmisbaar, en heeft hij me volledig overtuigd met zijn standpunten over de Letters from Afar die Lenin schreef net voor zijn terugkeer naar Rusland. Lih toont heel overtuigend de onjuistheid aan van wat je soms bij anderen leest (ook bijvoorbeeld bij Trotski) over de receptie van die Letters from Afar door zijn kameraden. De beeldvorming over hoe men zodanig geschokt was door Lenins radicale politieke standpunten dat ze hem wilden censureren, wordt volgens mij door Lih erg vakkundig ontmanteld.

Tenslotte was het voor mij een revelatie om meer te weten te komen over de Mezhraïonka en te begrijpen welke buitengewone groep ze waren. Mijn kennis reikte niet verder dan het courante beeld ervan, als een groep die zich met Trotski associeerde. Toen ik echter meer over hen las, begon het me te dagen welke verbazingwekkend onafhankelijke denkers ze waren. Hoe fascinerend hun gedachtegoed en de politiek die ze bedreven, wat een sprankelende intelligentie.

Blanc – En ze speelden een grote rol in de Februari- en de Oktoberrevolutie.

Miéville – Ik vind ze onwaarschijnlijk fascinerend. Er valt een schitterend boek over de Mezhraionka te schrijven – helaas, niet door mij.

Blanc – Kan je bij wijze van conclusie iets zeggen over de politieke bijdrage die je met dit boek wilde leveren ? Hoe is de respons tot nu toe geweest en wat vertelt die over de huidige staat van belangstelling voor de Russische Revolutie ?

Miéville – Ik ben er hoe langer hoe meer van overtuigd dat we momenteel globaal gezien een fase van aftakelende decadentie van het kapitalisme doormaken, met alle uitspattingen van dien. Ik heb het gevoel dat de algemene ervaring van ingesloten te worden door een zee van hallucinante onzin en slechte wil niet langer gewoon een nevenverschijnsel kan blijven. Het interessante is dat een ingesteldheid van goede wil almaar belangrijker wordt. Ik hecht belang aan het vermogen om een eerlijk debat te kunnen voeren met personen waar ik het niet mee eens ben, en niet enkel binnen de linkerzijde. Ik sta echt open voor ernstige discussies met mensen van liberale en rechtse gezindte over deze onderwerpen. Waar ik wel een hekel aan heb zijn het soort holle liberale frasen à la ‘revoluties die hun eigen kinderen verzwelgen’ of ‘prachtig idee, maar het zou nooit kunnen werken’ ; van het type analyse door middel van aforismen.

De recensies waren vooral positief, ook diegene van niet-linkse lezers. Dat betekent veel voor me. Ik ben heel blij met de positieve commentaren van historica Sheila Fitzpatrick, die politiek gezien heel andere sympathieën heeft en ook anders naar de revolutie kijkt. Ze heeft een literatuuroverzicht gemaakt en was erg bedachtzaam, erudiet en genereus over October. Ik vind het prettig dat ze mijn boek aandachtig heeft gelezen, zeker ook omdat haar werk over de revolutie het eerste was dat ik, intussen enkele decennia geleden, over het thema heb gelezen. Hoe ouder ik word, hoe meer ik mijn best doe om boeken te lezen met een welwillende, onderzoekende ingesteldheid, om te zien wat ik er kan van opsteken. Ik ben dan ook dankbaar dat October op die manier gelezen wordt.

Er waren ook andere verrassingen. Zo werd mijn boek bijvoorbeeld opgepikt door het zakentijdschrift Forbes. In hun leeslijst van 2017 wordt het beschreven als een verhaal over het moment dat « een groep ordeverstoorders het lot bezegelde van een eeuwenoude instelling » – je weet wel, tsaristisch Rusland.

Mijn eerste doel is het verhaal te brengen voor lezers die niet noodzakelijk veel weten van de Russische Revolutie. Lezers die willen weten wat wanneer gebeurde, welke uitdagingen elkaar opvolgden. Het is geen geschiedenis van de revolutie enkel geschreven voor verwante linksgezinden, maar voor iedereen. Het is echter wel een geschiedenis van de revolutie geschreven door een linkse schrijver.

Als het boek een bijdrage zou kunnen leveren dan zou ik willen dat het eenvoudigweg mensen geïnteresseerd zou krijgen in het onderwerp. Om te zeggen : we moeten eens over de Russische Revolutie praten. Het idee dat die revolutie verdorie wel het een en het ander was. Eerlijk gezegd ben ik een beetje teleurgesteld over hoe weinig dat leeft. Ik ben met andere woorden blij met de reacties op het boek, maar er is minder te doen over 1917 dan ik had gehoopt naar aanleiding van de 100-jarige verjaardag.

Er was een tijd waarin de beste manier om de uitstraling van 1917 te ondermijnen erin bestond de revolutie af te keuren of aan te klagen. Ik veronderstel dat we nu in een tijd gekomen zijn waarin de meest effectieve manier deze is van er gewoon niet over te praten. Ik zal tevreden zijn als het boek een beetje meer discussie losmaakt over dat legendarische jaar dat vrijheid en waardigheid en zoveel andere zaken kan uitdragen.

Blanc – Het zou kunnen dat ik nu enkel vanuit optimisme spreek, maar mijn hoop is dat de huidige radicalisering van jonge mensen relatief snel tot een breder gedragen hernieuwde interesse voor 1917 zal leiden. Misschien kwam het eeuwfeest net een jaar of twee te vroeg ?

Miéville – Het goede nieuws is dat er zeker en vast nieuwsgierigheid is – daar getuigen onder andere ook die reacties vanuit ruimere of onverwachte hoek van. Het beste nieuws echter is dat er een niet-defensieve opstelling is gekomen binnen links. Ik heb de indruk dat de mensen die hier al vele jaren over denken en schrijven stilaan voorbij de automatische reflex raken van steeds in de verdediging te gaan. Steeds meer linksen die de revolutie genegen zijn, treden nu op een bedachtzame en meer open manier dan vroeger in gesprek over bepaalde problemen ; ook over bijvoorbeeld de problemen binnen de bolsjewistische partij, en niet enkel over de externe obstakels, hoe groot die laatste ook waren. Dat is gezond.

Er is dan wel in het algemeen niet zo veel discussie over de revolutie als ik had gehoopt, maar deze die er wordt gevoerd, ter linkerzijde en daar voorbij, lijkt minder voorgekauwd, minder giftig zelfs, dan ik had gevreesd.

(Miéville en Blanc bedanken Tithi Bhattacharya die deze discussie op gang heeft gebracht.)

vertaling Hanne Provoost

interview gepubliceerd in Historical Materialism.

 

[1] Performatief is een woord dat tot doel heeft een verandering in de wereld te weeg te brengen door het te representeren als zijnde veranderd. Een voorbeeld : ‘Ik doop U Willibrordus’
[2] Kornilov werd door Kerenski hoofd van het leger benoemd en begon kort daarop een militaire putch voor te bereiden om eind augustus 1917 een militair bewind te vormen de revolutie neer te slaan. Hoewel hij op de hoogte was van de voorbereidingen koos Kerenski uiteindelijk de kant van de legaliteit en liet hij Kornilov arresteren. Dit zwengelde de volksmobilisaties opnieuw aan en duwde hen verder in de richting van een volledige machtsovername die in oktober plaats vond.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*