Een interview met Bini Adamczak, co-auteur van « Communism for kids »

Jacob Blumenfeld : Waarom heb je Communism for Kids geschreven ?

Bini Adamczak : Ik schreef het boek in de periode waarin we zogezegd aan ‘het einde van de geschiedenis’ waren gekomen, de jaren tussen de val van de Sovjet-Unie en de opstand van de Arabische Lente. Tijdens diezelfde periode kwam de antiglobaliseringsbeweging op straat met de slogan : « Een andere wereld is mogelijk ! » De kracht van die slogan bestond erin dat ze de zenuw raakte van een soort defaitistische stemming die op dat moment bij zoveel mensen heerste. Het dominante gevoel was dat het kapitalisme gewonnen had, dat een liberale democratie de enige optie was, dat we op niet meer dan op kleine hervormingen mochten hopen, dat iedereen er uiteindelijk alleen voor stond, en dat de ruimte om actie te ondernemen was teruggedrongen tot de persoonlijke sfeer. Door te stellen dat een andere wereld wel degelijk mogelijk was, werden deze aannames opnieuw uitgedaagd.

Een tweede bepalend element van de context waarin ik het boek schreef, was de verbrokkeling van de linkerzijde. Die fragmentatie was niet alleen verbonden met voornoemd einde-van-de-geschiedenis-gevoel, maar kwam ook voort uit de ervaringen met het reëel bestaande autoritaire socialisme.

Hoewel velen zich bleven inzetten voor de strijd voor maatschappelijke verandering, gebeurde dat vaak in de gedaante van single issue bewegingen. De allianties die tussen verschillende deelstrijden werden gesmeed bleven vaak niet duren.

In 2003 verzamelde een groep antifascisten en ondogmatische radicaal-linksen zich op een bijeenkomst in Frankfurt onder de noemer Indeterminate Communism om een antwoord te zoeken op deze problematische situatie. Het was de bedoeling om mensen met verschillende achtergronden – niet-sectairen ter linkerzijde, antiracisten, antiseksisten, ecologisten en antikapitalisten – samen te brengen en een perspectief te scheppen op een ruimere en radicalere vorm van communisme. In de context van die ontwikkelingen heb ik aan mijn boek gewerkt. Initieel had ik een theoretische exegese van het gedachtegoed van Karl Marx over de toekomst voor ogen, maar ik worstelde van bij aanvang met een knoert van een writer’s block. Ik besefte toen dat het onmogelijk was om te schrijven over het verlangen naar een andere, solidaire wereld, bevrijd van overheersing, in een taal die zelf volledig ontdaan was van dat verlangen – zeker gezien de tijdsgeest van ‘het einde van de geschiedenis’.

JB : Het boek is dus niet echt voor kinderen geschreven ?

BA : Nee, het is voor alle leeftijden bedoeld. Natuurlijk zijn er ook kinderen die het lezen. Het gebeurt dat volwassenen naar het boek grijpen en er dagelijks een hoofdstuk uit voorlezen wanneer kinderen hen ingewikkelde vragen stellen, in de trant van « wat is kapitalisme ? » en « wat is een crisis ? ». Ik zou het wel anders geschreven hebben als het echt als een kinderboek was bedoeld.

In zijn huidige vorm is het eerder een boek gericht aan iedereen die het soort lichte en eenvoudige taal die we met kinderen associëren kan smaken. Leeftijd heeft daar niets mee te maken. Waar het over gaat is de toegang tot en de wenselijkheid van radicale dromen. Ik wou dat het niet nodig was om dit te zeggen maar voor de duidelijkheid : als je de wereld wil veranderen, en daartoe theoretische modellen wil gaan bediscussiëren, moet je geen politieke wetenschappen te hebben gestudeerd. En voor diegenen die niet zo tuk zijn op simpele teksten heb ik ook een meer theoretische epiloog voorzien.

De boektitel bevat de woorden ‘for kids’ omdat ik het kinderlijke in mijn lezers hoop aan te spreken, ongeacht hun leeftijd. Soms geef ik later op de avond lezingen over mijn boek, en open ik met te zeggen : « Ik ben blij dat jullie zolang mochten opblijven en ik beloof jullie dat onder het communisme niemand vroeg naar zijn bed moet. » Ik benader de lezer als iemand die in staat is om te durven dromen, en daarom wil ik de leugen ontmaskeren dat de wereld nu eenmaal is en blijft zoals hij altijd was.

JB : Je beschrijft in je boek verschillende pogingen waarbij naar een vorm van communisme wordt gestreefd. Kan je deze wat meer duiden ?

BA : De meeste van die projecten zijn losjes gebaseerd op historische of utopische modellen zoals sociaal-democratie, syndicalisme, staatssocialisme, luddisme, en in zeker mate techno-hedonisme. Elk van de pogingen schiet op het ene of het andere vlak de ultieme communistische droom te kort, waardoor men er mee stopt en ter vervanging iets nieuws probeert. De mensen in mijn verhalen leren al doende. Ze experimenteren en stellen kritische vragen : vormt dit utopische model een remedie tegen kapitalistische kwalen ? En tegen welke precies ? Is het leven nu beter dan voorheen onder het kapitalisme ? Op welke manier ? Worden oude problemen gereproduceerd, zitten we met nieuwe opgescheept ? Wat valt er tegen ?

Het is een manier om verschillende historisch-utopische modellen in een kritische dialoog tegenover elkaar te plaatsen, en om telkens het potentieel en de limieten ervan bloot te leggen. Er wordt een nieuw project gelanceerd om de onvolkomenheden van het voorgaande te overstijgen. Uiteraard, de collectiviteiten die ik in mijn boek opvoer, leren, vergeleken met de actoren van de reële geschiedenis, aan een hoog tempo bij: het langste experiment beslaat slechts zes bladzijden.

JB : Kan je bij wijze van voorbeeld een van die episodes eens schetsen ?

BA : Zeker, met een passage uit het boek zelf (p.61-62) : «  De mensen liggen nu languit te suffen in een landschap van rondgestrooide snacks, plassen druivensap en hopen cinematickets. Met grote moeite komen ze stilaan terug bij hun positieven, proberen ze recht te klauteren en een gedachte te formuleren. Dat blijkt een probleem; ze zijn nu bijna even dom als ze ervoor waren, onder het kapitalisme. Hun eerste bedenkingen en suggesties zijn dan ook niet bijster snugger. ‘Ik weet het,’ zegt er iemand. ‘Wanneer iedereen dezelfde hoeveelheid spullen krijgt, wordt er niemand aangezet om te werken. Daarom zijn we allemaal zo lui geworden. De oplossing is eenvoudig : iedereen krijgt die hoeveelheid dingen die hij zelf in staat is te maken.’ En zo gezegd zo – wacht, niet zo snel ! De mensen herwinnen hun zinnen. Ze herinneren zich weer dat ze zich moeten uitspreken tegen iets dat heel erg verkeerd voelt. ‘ Dat is geen goed idee,’ roept er iemand. ‘Sommige mensen kunnen niet zo hard werken als andere. En de enen hebben niet zoveel nodig als de anderen, omdat ze verschillende behoeftes hebben. Het is niet omdat bepaalde mensen nu eenmaal sneller en harder kunnen werken dan anderen dat ze meer dingen moeten krijgen. Dat is oneerlijk.’ ‘Dat is juist !’ zegt nog iemand anders. ‘ Trouwens, alles zou nog steeds draaien om die idiote dingen; we zijn geobsedeerd door hoeveel dingen ieder van ons voortbrengt en mag bezitten. Nogmaals, we fietsen zo rond de essentiële vraag : hoe willen we leven ?’ »

JB : In het nawoord schrijf je dat kritische reacties op het kapitalisme meestal maar op een aspect ervan focussen, en bijgevolg eigenlijk bepaalde elementen van het kapitalisme versterken ten opzichte van andere elementen. Kan je dat uitleggen ? Hoe kunnen we zoiets vermijden ?

BA : Ik maak een onderscheid tussen een productivistische, een circulationistische en een consumentistische vorm van antikapitalisme, waarbij elke versie een bepaalde fase van het kapitalisme idealiseert en zich afzet tegen andere facetten. Ik heb het bijvoorbeeld over de antikapitalistische stroming die op herverdeling is gericht. Op het eerste zicht is het erg aannemelijk : we hebben nood aan hogere belastingen voor de rijken en op financiële transacties om de masale economische ongelijkheid tegen te gaan. De staat kan het geld dan gaan herverdelen, investeren in betere infrastructuur, sociale zekerheid enzoverder. Maar op welke manier komt die ongelijkheid in de eerste plaats tot stand? Wie produceert rijkdom en wie eigent ze zich toe? En zou een sterke staat werkelijk in ons belang zijn? Of zouden we beter af zijn als we het zelf organiseren? Deze vragen komen niet aan bod bij dit type van antikapitalisme.

Een andere kritiek op het kapitalisme die de laatste decennia dominanter is geworden focust op consumptie : de cultuur van de grote merken, reclame, ecologische en gezondheidsproblemen. Het is een belangwekkende benadering maar ze neigt naar individualiserende en moraliserende manieren van omgaan met sociale kwesties. Er wordt vaak de nadruk gelegd op de individuele beslissing van de consument, zonder stil te staan bij zaken als klasseverhoudingen, familierelaties enzovoort. Het gezin wordt dan een soort natuurlijk gegeven, alsof mensen nu eenmaal zo ineenzitten dat ze eten, schijten, en op hun eentje naar de tv zitten te gapen in hun kleine huizen met grote sloten op de deur. Nog een andere versie van antikapitalisme richt zich op de manier waarop we werken, op vervreemding of zelfbeschikking op de werkvloer. Deze insteek maakte grote opgang in 1968 en was in zekere mate succesvol. Werk is sindsdien grondig gewijzigd: er is aandacht voor teamwork, het belang van zachte vaardigheden, en flexibele werkuren. Toch blijft het van belang om erop te wijzen dat alle verbeteringen in onze manier van werken werden aangewend als strategieën om meer winst te genereren. Ze zijn er niet om onze levens aangenamer te maken, wel om ons werk productiever te maken. Vandaar ook de terreur van deadlines, CV’s en projecten, van burn-outs en depressies.

Ik zou voorstellen om deze uiteenlopende vormen van antikapitalistische kritiek niet tegenover elkaar te plaatsen en te doen alsof ze elkaar wederzijds uitsluiten, maar om ze samen te brengen. Een beter leven gaat immers niet over òf een gezonder consumptiepatroon, òf aangenamer werk, òf rechtvaardige herverdeling. Net de kapitalistische opsplitsing van het sociale in die afzonderlijke domeinen is problematisch.

JB : Hoe belangrijk is het om een diepgaand inzicht te hebben in het kapitalisme om te kunnen komen tot communisme?

BA : Om eerlijk te zijn, ik denk niet dat dat zo belangrijk is. Christian Siefkes, een software ontwikkelaar en marxistische denker die bezig is het concept van Wikipedia en van Linux breder toe te passen, en die het begrip ‘common based peer-production’ bedacht, stelde de volgende vraag : « Moet je het kapitalisme begrijpen om het te overwinnen? » Het antwoord is « neen ». Je kan je inzetten voor het ‘commoniseren’ van de politiek en sociale relaties gestoeld op gelijkheid en solidariteit creëren zonder dat je daarvoor een exhaustieve analyse van de kapitalistische productie hoeft te maken. Denk aan de vroege burgerij, de ondernemers, zeevaarders en dagloners die ook niet volgens een bewust plan bezig waren een gans nieuwe productiewijze te doen ontstaan om het feodalisme af te schaffen.

Natuurlijk kan een analyse van het kapitalisme en een dosis kennis van de geschiedenis van communisme en sociale strijd wel helpen om te vermijden dezelfde vergissingen te herhalen. Een voorbeeld : de reïficatie die inherent is aan de structuur van de kapitalistische productiewijze maakt dat mensen die zich aansluiten bij de strijd tegen economische ongelijkheid uiteindelijk vaak uitkomen bij een moralistisch en individualiserend betoog. Economische ongelijkheid is dan het effect van de hebzuchtige « bloedzuigers » van managers of « kwaadaardige » politici en multinationals. Een ernstige analyse van het kapitalisme kan ons doen inzien dat « kwaadaardige » structuren niet het gevolg zijn van kwaadaardige mensen, maar dat « kwaadaardige mensen » eerder het gevolg zijn van kwaadaardige structuren. Het helpt ons begrijpen dat het niet volstaat om welvaart te gaan herverdelen door middel van de staat, omdat we op die manier enkel gedefinieerd worden als individuele consumenten. We moeten in plaats daarvan de volgende vraag centraal stellen : Welke noden willen we lenigen door middel van welke oplossingen ? Of beter : Hoe willen we leven ?

JB : In welke zin is het idee van communisme nog relevant vandaag, na de catastrofes van de voorbije eeuw ?

JB : Het mag wel duidelijk zijn dat het sterkste argument tegen communisme het communisme zelf is. Het communisme van het verleden staat het communisme van de toekomst in de weg. Dat is het geval voor iedereen die van een andere wereld droomt : we zitten opgescheept met de erfenis van een emancipatorische droom die in een reactionaire nachtmerrie veranderde.

Tussen 1989 en 1991 stortte het autoritaire staatssocialisme van de Sovjet-Unie eindelijk ineen. Op wereldschaal betekende dit een nederlaag tegenover het kapitalisme. De mislukking van het Sovjetsocialisme kunnen we echter al veel vroeger in de tijd situeren. In feite is er een hele rij mislukkingen : 1968, 1956, 1953, 1945, 1939, 1937, 1927, 1921, 1917. De meeste van die momenten droegen in zich wel de mogelijkheid om een kantelpunt te vormen en te leiden naar een vrijer, rechtvaardiger en op solidariteit gebaseerd communistisch project. De val van de Sovjet-Unie is ook het resultaat van al die gemiste kansen om bij te sturen, te democratiseren en de revolutie te redden. Tegen 1990 waren die vele momenten van potentieel en perspectief compleet naar de vergetelheid verwezen, bedolven onder een beladen geschiedenis van terreur en bureaucratie. Het libertaire communisme maakte eind de jaren ’60 wereldwijd dan wel sterk opgang, tegen eind de jaren ’80 was ook die opstand vrijwel volledig ontmanteld.

Het gevolg was dat de perspectieven voor een andere wereld herleid waren tot twee opties : het verrotte staatssocialisme of het neoliberale kapitalisme, waarbij het laatste niet zelden als sociaal-democratie vermomd ging. Dat is de reden waarom de combinatie van kapitalisme en liberale democratie wel een valabel alternatief leek volgens een groot aantal mensen dat achter het IJzeren Gordijn leefde. En voor diegenen aan de andere kant van de scheidingslijn bestond er gewoonweg geen alternatief links van het neoliberale kapitalisme. Margaret Thatcher had het bij het juiste eind, net omdat werkelijke alternatieven uit de geschiedenis en uit het bewustzijn waren gewist. De laatste decennia zijn we van de illusie wel genezen dat het kapitalisme zorgt voor het einde van de geschiedenis en de verbetering van de levens van de massa’s. In die gevallen waar het kapitalisme in zekere zin ‘beschaafd’ opereerde, was dat net te danken aan de strijd ertegen. In grote mate speelde het simpele bestaan van de Sovjet-Unie daarin ook mee – je kan de Sovjet-Unie in die zin beschouwen als een onzichtbare derde sociale partner in het Westen. We moeten niet ver zoeken als we de verschrikkingen moeten opsommen die het kapitalisme op dagelijkse basis en op grote schaal in onze levens ontketent. En van zodra mensen het verband beginnen te zien tussen hun ellende en het systeem van economische en sociale reproductie, van zodra ze over alternatieven beginnen na te denken, doemt het spook van het communisme terug op. Het verlangen om het leven te organiseren op basis van gelijkheid en solidariteit lijkt zo gek niet : niet als compleet geïndividualiseerde vreemden en concurrenten van elkaar, niet in structurele schaarste, maar in een vorm van gedeelde gemeenschap. Alleen komt met dat verlangen naar communisme ook de kwelling van het communistische verleden en haar teleurstellende erfenis. Dat is iets waar we mee aan de slag moeten. Je kan geen geschiedenis maken als je wegkijkt van het moeilijke verleden.

JB : Waar ben je sinds de eerste Duitse publicatie in 2004 van Communism for Kids verder mee bezig geweest ?

BA : Het doel dat ik voor ogen had met Communism for Kids was om de toekomst opnieuw uit te vinden tijdens de periode van het einde van de geschiedenis. Op het moment waarop er geen alternatieven leken te bestaan voor het werkelijk bestaande kapitalisme was het nodig om terug een utopisch perspectief te openen. We hadden een list nodig om de moed terug te vinden opnieuw groots te gaan dromen, voorbij ieders geïndivualiseerde levensdoelen en een hervorming hier en daar. Maar vanaf het moment dat de toekomst erin slaagt in te breken in het schijnbaar eeuwigdurende heden van het kapitaal komt ook het verleden terug. Net zoals we onze hoop op de toekomst projecteren, doen we dat met de angst die we meedragen uit het verleden. Zal morgen zoals gisteren zijn ? Zal een nieuwe poging om het kapitalisme te overwinnen ons terug naar autoritair staatssocialisme leiden ? Zullen de volgende revoluties de vergissingen van de vorige herhalen ? Deze vragen waren minder prangend in de 19e eeuw. Lenin, Stalin en Mao hebben Marx voor altijd veranderd. We zullen nooit meer in staat zijn om zo onbevangen van een betere toekomst te dromen als tijdens de 19e eeuw. Moeten we ons na de gebeurtenissen van de 20e eeuw de vraag niet stellen of de angst voor radicale verandering die we bij de massa’s zien wel echt een vorm van vals bewustzijn is en geen terechte angst?

Communism for Kids eindigt met dit soort vragen. Is het mogelijk om te strijden voor een postkapitalistische wereld, voor communisme, zonder verantwoording af te leggen over de erfenis van het stalinisme en zijn slachtoffers ? Er wordt wel impliciete kritiek ontwikkeld op het staatssocialisme, maar al bij al in beperkte mate, en niet op de praxis waar het uiteindelijk op neerkomt. Net zoals in het geval van het syndicalistische experiment dat afhankelijk is van de markt, eindigt het staatssocialistisch project met de mensen die zeggen : « Neen, neen, dit is geen communisme. » Wat hebben zo’n woorden te betekenen ? Langer dan een halve eeuw maakten autoritaire socialistische staten samen een vijfde tot een derde van de wereld uit. Ze waren niet communistisch, maar ze waren ook niet niet-communistisch. In het boek dat ik daarna schreef, Past Future: On the Loneliness of Communist Specters and the Reconstruction of Tomorrow (eerste uitgave in 2007, tweede uitgave in 2011), ben ik dieper ingegaan op deze vragen. Het is opgevat als een soort performatieve politieke rouwarbeid en gaat de confrontatie met het verleden aan om de toekomst die erin begraven ligt te vinden. Het boek begint met het Hitler-Stalin Pact en gaat dan terug in de tijd, tot de Grote Terreur van 1937-1939, tot het onvermogen van de linkerzijde om de opkomst van het nationaal-socialisme te stoppen, tot de periode dat Stalin de macht greep, tot Kronstadt, en uiteindelijk tot 1917. Via het doorploegen van de geschiedenis van het gecorrumpeerde communisme probeer ik een verlangen naar communisme te herstellen. Er komen lastige vragen aan bod die we meestal liever uit de weg gaan.

Mijn volgende twee boeken komen uit in Duitsland in 2017, naar aanleiding van de 100e verjaardag van de Russische Revolutie. Wat ik in die werken wil doen is de vraag preciezer stellen : had de Russische Revolutie kunnen slagen ? En hoe ? Wat is een revolutie ? Wat wordt ervan gemaakt in de dominante revolutionaire beeldspraak ? Draagt die representatie bij tot het succes van revoluties of zet ze daar een rem op. Ik uit kritiek op een revolutionaire en utopische fetisj die ook aanwezig was in de eerste edities van Communism for Kids. Ik stel voor om te zoeken naar een nieuwe invulling van die termen : wat zou de relatie moeten zijn tussen transformatie en utopia, tussen revolutie en communisme, tussen doel en middelen ? In mijn volgende boek, 1917 and 1968, zet ik het oude links en het nieuwe links in een opstelling van wederzijdse kritiek met de bedoeling de limieten van beide te overstijgen en te komen tot een meer integraal concept van communisme. Het is een pleidooi voor een theorie van relationele revolutie, een politiek van solidariteit en queer-feministisch communisme.

JB : Welke impact heeft de financiële crisis van 2008 en de eurocrisis van 2010 op Duitsland gehad, en dan in het bijzonder in Berlijn, waar jij woont ?

BA : Het globale kapitaal heeft sinds de economische crisis wanhopig naar manieren gezocht om te investeren. Aangezien de rentetarieven laag zijn en nieuwe investeringsmogelijkheden moeilijk te vinden, vormen grond en vastgoed een veilige haven voor al het surplus kapitaal. In Berlijn kan je dat vooral merken aan de voortdurende druk op de huurmarkt. Gentrificatie, gedwongen verhuizingen en huisuitzettingen vormen nu de centrale strijdpunten waarop het sociale verzet in de stad zich moet enten. Deze verzetsbewegingen hebben als vanzelf een antikapitalistische dimensie omdat ze scherpstellen op de spanning tussen ruilwaarde en gebruikswaarde. Aan wie kan en zou het zeggenschap over een huis moeten toekomen – aan hen die de eigenaars zijn of aan hen die het gebruiken en bewonen ? De Berlijnse beweging tegen gentrificatie is heel sterk geworden, zeker in Kreuzberg, en heeft bewezen dat het verzet loont. Er zijn dan wel weinig nieuwe bezettingen bijgekomen – enkele vanuit de vluchtelingenbeweging – toch werden er heel wat gedwongen ontruimingen verhinderd door activisten.

Ook hier botsen we echter voortdurend op vormen van kort door de bocht moralistisch, zelfs antisemitisch en fascistisch antikapitalisme. Tegelijkertijd zien we een sterk bewustzijn groeien ten aanzien van deze gedegenereerde vormen van protest. En wat vooral van belang is, we stellen vast dat de strijd zelf de stad en de relaties tussen haar bewoners verandert. Buren die tevoren onverschillig naast elkaar leefden, leerden elkaar kennen en begonnen zich te organiseren. Dat is heel belangrijk om te vatten. Solidariteit is meer dan gewoon een instrument om sociale verandering te bewerkstelligen – verdeeld staan we nergens, verenigd staan we sterk – het is tegelijkertijd het doel van emancipatie en van communisme.

JB : Is de opkomst van het rechtse nationalisme in Europa en in de Verenigde Staten ook naar Duitsland overgewaaid ? Hoe moeten we dat volgens jou gaan bekampen ?

BA : Duitsland wordt elders, en misschien vooral in de VS, meestal als erg progressief beschouwd – het gaat dan over sociale kwesties of zaken met betrekking tot seksualiteit en het milieu. Dat is het resultaat van decennia van pr-campagnes die gericht waren op de politiek van het herinneren en het omgaan met geschiedenis. Mensen die Duitsland beter leren kennen, staan vaak versteld wanneer ze merken dat dit beeld helemaal niet klopt. De voorbije jaren heeft dit imago wel geholpen de rol te versluieren die Duitsland in de globale economische crisis speelde, zeker in Europa. Het land heeft de sterkste economie van Europa en een van de sterkste van de wereld. De Duitse politiek van deflatie, harde wisselkoersen, lage lonen en exportgerichtheid heeft in grote mate bijgedragen tot de crisis en Duitsland heeft er veel bij gewonnen. Angela Merkel kan misschien overkomen als een eerder liberaal staatshoofd, ze heeft het wel gepresteerd om de crisis van Duitsland naar de Zuid-Europese landen te exporteren, waar de levens van enorm veel mensen de ellende in gestort werden. Al maakt Merkel natuurlijk ook geen deel uit van het nieuwe, steeds groter wordende internationale clubje van rechtse nationalisten, programmatorische racisten en neofascisten – de monsters die uit de crisis geboren werden. In slechts enkele jaren tijd is antifascisme een enorme missie en opdracht geworden in de wereldpolitiek, misschien wel de belangrijkste van al.

Na de verkiezing van Trump werd Merkel door sommigen de ware leider van de vrije wereld genoemd. We moeten nochtans duidelijk zijn : in crisistijden is een loutere verdediging van het status quo geen optie. Dat is ook de historische les waar we door het wedervaren van Hillary Clinton aan werden herinnerd. Het narratief van de superheld werkt niet tegen fascisme. In zo’n narratief is het de taak van de superheld om een grote schurk tegen te houden die een ingenieus plan heeft om de wereld naar zijn hand te zetten of te vernietigen. De superheld dwarsboomt dat plan, net op de valreep, eind goed al goed, en de wereld gaat terug naar haar ellendige business as usual. Dat kan het niet zijn.

Sociaal-democraten van de Derde Weg, conservatieve en neoliberale politiek in het algemeen, hebben de opkomst van rechts mogelijk gemaakt. Als we het neofascisme willen bestrijden volstaat het niet om enkel de maatschappij te verdedigen die het aanvalt. We moeten vechten voor een andere maatschappij. We moeten de wereld radicaal veranderen om haar te redden.

Communism for Kids van Bini Adamczak, naar het Engels vertaald door Jacob Blumenfeld en Sophie Lewis, is nu uitgegeven bij MIT Press.

Dit interview werd oorspronkelijk gepubliceerd op ViewpointMag

Vertaling en bewerking door Hanne Provoost.

 

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*