De ‘deeleconomie’, een overdreven hoera-verhaal?

Laurens Deprez, doctorandus in de sociologie.

In juni gaf Juliet Schor, een Amerikaanse professor sociologie aan de universiteit van Boston, een lezing aan de universiteit van Antwerpen over haar werk rond de “sharing economy”. Schor specialiseerde zich doorheen haar carriere in trends rond arbeidstijd, balans werk-familie, economische ongelijkheid, gender en consumentisme. Momenteel werkt ze rond “connected consumption”, een term gelanceerd door Rachel Botsman (What’s Mine is yours: The Rise of Collaborative Consumption) en die grotendeels samenvalt met ons onderwerp, the sharing economy. De laatste jaren wordt de deeleconomie voornamelijk in een positief daglicht gesteld, in eigen land ondermeer door Michel Bauwens (De wereld redden: met peer to peer naar een postkapitalistische samenleving) en internationaal door auteurs als Jeremy Rifkin (The Zero Marginal Cost Society) en recent Paul Mason (Postcapitalism). Michel Bauwens gebruikt in het Nederlands de termen deeleconomie en peer to peer (P2P) economie als synoniemen voor de ‘sharing economy’.

Wat wordt precies bedoeld met de deeleconomie? Een reeks nieuwe internetbedrijven breiden de mogelijkheden van delen en samenwerken uit, en komen in conflict met de gevestigde waarden in hun respectievelijke industrieeën. Deze bedrijven vormen wat de deeleconomie wordt genoemd: ze bieden een technologisch platform aan zoals een website of een smartphone-app waarlangs mensen hun appartement of auto kunnen aanbieden om te delen met iemand anders voor een prijs. Hoewel een groot aantal sites en bedrijven zichzelf als deel van de sharing economy zien zijn er drie sectors die het voortouw nemen: slaap –en leefruimte (Airbnb), transport (taxi alternatieven Uber, Lyft en Blablacar), en informele arbeid (Taskrabbit, Homejoy).

Het jargon rond de deeleconomie roept normen en waarden op die bekend in de oren klinken voor mensen van de linkerzijde: dencentralisatie, duurzaamheid, verbinden van gemeenschappen, oppositie tegen hierarchische en rigide bureaucratische systemen. Het is de taal van cooperatieven en burgergroepen. Er zit ook een duidelijke ecologische stroming in de beweging: de idee van delen in plaats van bezit spreekt de notie van duurzaamheid aan, en de taal van het delen spreekt ook de groepen rond het consuminderen aan: bezit en consumptie maken ons niet gelukkig, en we moeten de zoektocht naar bezit opgeven en op zoek gaan naar sociale connecties en ervaringen. De deeleconomie roept beelden op van lokale buurten, dorpen, en interacties op menselijke schaal. In plaats van goederen te kopen in het warenhuis van een multinational kunnen we ze delen met onze buren.

Deze idealen zijn ouder dan het internet, maar de opkomst van het internet heeft hen een nieuw momentum gegeven. Binnen de deeleconomie benadrukken auteurs als Jeremy Rifkin, Paul Mason en Michel Bauwens dat het internet de transactiekosten van groepen en samenwerking verlagen tot op het punt dat zij een bedreiging en alternatief kunnen vormen voor het kapitalisme.

Wat alle drie de auteurs gemeen hebben is dat ze beargumenteren dat het kapitalisme zal vervangen worden door een “post kapitalisme” (en, niet onbelangrijk, geen socialisme). Bauwens spreekt van peer-to-peer productie, Mason van postkapitalisme en Rifkin over de collaboratieve commons die bereikt zullen worden via een hybride economie. Hiervoor ontwaren zij drie grote redenen. Ten eerste is er een informatie revolutie aan de gang die een samenleving schept met een overvloed aan informatie en daardoor een virtueel kosteloze en arbeidssparende economie. Ten tweede kan deze informatie-revolutie niet geïntegreerd worden door de kapitalistische markt en de grote monopolies. Tenslotte is de kiem van deze “post-kapitalistische” economie reeds aanwezig binnen het kapitalisme dat we kennen, net zoals het kapitalisme ontkiemd is binnen het feodale systeem.

Michel Bauwens in De wereld redden:

“De technologische ontwikkeling [verloopt] razendsnel en het actieterrein van peer-productie wordt alsmaar groter. Een paar jaar geleden was er een grote discussie binnen de P2P gemeenschap over wat wel en niet mogelijk was op basis van peer to peer. Sceptici waren ervan overtuigd dat het uitgesloten was om op die manier ooit auto’s te bouwen. Auto’s maak je immers met peperdure machines en robotten in heel grote fabrieken waar duizenden mensen werken. Welnu, die redenering blijkt niet te kloppen. Ze is gebaseerd op de bestaande conceptie van productie. Maar we hoeven een auto niet noodzakelijk op die manier te bouwen. Wikispeed, een p2p project aangedreven door een internationaal team ingenieurs, heeft in de praktijk aangetoond dat het anders kan. De initiatiefnemers hebben een modulaire wagen ontworpen die je met een paar man kunt bouwen in een garage. We kunnen kunnen ons vandaag perfect een wereldwijd netwerk voorstellen van microfabrieken met geavanceerde apparatuur zoals 3D printers, waar auto’s plaatselijk op aanvraag worden gemaakt.”[1]

Paul Mason in The Guardian over de aankondiging van zijn boek Postcapitalism:

“Een economie gebaseerd op het volle gebruik van informatie kan de vrije markt of absolute rechten van intellectueel eigendom niet tolereren. De zakenmodellen van al onze moderne digitale reuzen zijn ontworpen om een overvloed aan informatie te voorkomen. Nochtans is informatie overvloedig aanwezig. Informatie(goederen) zijn vrij repliceerbaar. Eens een ding gemaakt is kan het oneindigd gekopieerd/geplakt worden. Een mp3 of de enorme database die gebruikt wordt om een vliegtuig te bouwen hebben een productiekost, maar de reproductiekosten zakken naar nul. Als het normale prijsmechanisme van het kapitalisme na een tijdje in werking treedt zal de prijs ook naar nul zakken […] Eens we begrijpen dat informatie fysiek is, en dat software een machine is, en dat de prijs van opslag, bandbreedte en processorkracht exponentieel in elkaar aan het stuiken is […] We worden omringd door machines die niets kosten en voor altijd zouden kunnen blijven draaien indien we dit zouden willen.”[2]

Jeremy Rifkin ziet het in The Zero Marginal Cost Society nog grootser:

De distributieve collaboratieve aard van het internet laat miljoenen mensen toe om te matchen en te delen wat ze kunnen missen met anderen die het kunnen gebruiken. De deeleconomie was geboren. Dit is een ander soort economie – een economie die veel meer afhankelijk was van sociaal kapitaal dan van markt kapitaal. En het is een economie die meer leeft van sociaal vertrouwen dan van anonomieme marktkrachten […] terwijl het communicatie internet al een enabler is, wanneer het samengevoegd zal worden met het energie internet en het logistiek internet in de komende jaren en daarbij een geïntegreerd en deelbaar communicatie, energie en logistiek netwerk creëert, het Internet of Things dat kan opereren tegen quasi geen marginale kost zal een dramatische boost betekenen van het potentieel van andere deelbare sectoren zoals verhuur, herverdelingsnetwerken, culturele uitwisselingen, en uitwisselingen van professionele en technische vaardigheden. Wanneer dat gebeurt zal collaboratieve productie en uitwisseling van een niche sector uitgroeien tot een dominant paradigma en zal het kapitalisme moeten reageren op de commons, en niet andersom. [3]

Ondanks de claims van auteurs als Rifkin, Mason en Bauwens moeten we vaststellen dat de realiteit laat zien dat de verwezenlijkingen en snelle groei van online platformen als Facebook, Google, Airbnb, Uber, Wikipedia of Makerspace niet betekenen dat deze platformen automatisch ook het sociale speeldveld gelijkmaken. In tegendeel, zulke ultra-optimistische analyses zijn gebaseerd op een reeks onnauwkeurige veronderstellingen. Zij zorgen ervoor dat de manieren waarop deze technologische revolutie ons leven in slechte zin zou kunnen veranderen buiten het gezichtsveld blijven. Vele voorstanders gaan ervan uit dat de deeleconomie van nature buiten de markt staat, geen privaat bezit kent noch aanmoedigt en fundamenteel in tegenstelling staat met de werking van grote bedrijven. Hoewel de deeleconomie soms deze kenmerken heeft of heeft gehad werkt deze omschrijving vooral wanneer er abstractie wordt gemaakt van de sociaal-economische context waarin deze platformen zich bevinden.

Ook wanneer er naar de platformen in kwestie zelf onderzoek wordt gedaan kunnen we vraagtekens plaatsen, en het is precies hier dat de lezing en het onderzoek van Juliet Schor een interessante kijk levert.

De typlogie van de deeleconomie: enkele voorbeelden

Juliet Schor begon haar uiteenzetting over de sharing economie met de anekdote dat we ter linkerzijde allemaal van delen (sharing) houden, maar tegelijkertijd kreeg ze steevast de vraag hoe het dan zat met bedrijven als Uber. Uber maakt duidelijk dat er verschillende soorten sharing bestaan, en de bedoeling van de lezing en de discussie achteraf was in hoeverre elk van deze verschillende soorten sharing deel uitmaakten van een sociale beweging voor verandering of juist niet, en of ze zouden gecooptereerd worden door het kapitalisme dan wel reeds volwaardig gebaseerd zijn op winstacumulatie.

Voorbeelden van deze deeleconomie zijn zaken als Yerdle, Freecycle, Airbnb, Couchsurfing, HubCulture, Citizen Space, co-housing, Toolshare, Time banking, the maker movement, P2PU, and Skillshare. In de uiteenzetting over haar onderzoek concentreerde Schor zich op zeven casestudies: Time banking, open learning (P2PU, peer to peer university), foodswap, Makerspace, Airbnb, RelayRides en Taskrabbit. Ze onderzocht deze door middel van interviews voornamelijk afgenomen in de Verenigde Staten.

Schor presenteerde haar casestudies in een typologie, en de verschillende casestudies werden ingedeeld volgens met of zonder winstoogmerk eenderzijds, en peer to peer of ‘business to peer’ anderzijds. Dat leverde volgende schema op:

  profit based non profit based
Peer 2 Peer AirBnB, RelayRides, Taskrabbit Time bank, Food swap
Business to Peer Zipcar Makerspace

Open learning (P2PU) werd op het kruispunt van deze vier categorieën geplaatst. Schor merkt terecht op dat sharing momenteel een aura van hippe vernieuwing met zich meedraagt. Wanneer ze deze deeleconomie beschreef aan mensen uit de arbeidersklasse of mensen met een migratie achtergrond zegden deze haar dat zij de nieuwigheid er niet van inzagen: “sharing” of delen bestond reeds lang voor de opkomst van het internet en de online platformen die zij onderzocht. Dit is een voorbeeld van wat sociologen class bias noemen, een vooroordeel gebaseerd op sociale klasse. Het idee dat het allemaal nieuw is wijst vooral op een herontdekking door de middenklasse van iets wat al bestond, en in hoeverre de sociale praktijk van het delen in de middenklasse was afgenomen. Tegelijkertijd zegt het ons ook iets over de klassensamenstelling van deze online platforms.

Wat wel nieuw is en volgens Schor te danken is aan de technologische ontwikkelingen is dat het delen nu onder vreemden gebeurt, daar waar delen voordien toch vooral gebeurde binnen de eigen sociale groep. Met name de verschillende reputatie-systemen waarin mensen elkaar kunnen beoordelen als betrouwenswaardig of niet, en de mogelijkheid om online verslagen te schrijven over elkaar hebben voor haar sterk geholpen om de drempel te verlagen en het probleem van betrouwbaarheid van handelen met wildvreemden op te lossen. De vraag blijft echter in hoeverre deze reputatie-systemen betrouwbaar zijn, en in hoeverre mensen effectief nieuwe sociale contacten leggen die de transactie zelf overleven. Ook de notie dat het de technologische mogelijkheden zijn die voor een doorbraak gezorgd hebben lijken wat curieus: al deze platformen zijn inderdaad online dankzij het internet, maar het internet was voor 2008 al ruimschoots aanwezig. Toch is het pas rond 2008 dat al deze platformen als paddestoelen uit de grond schoten…

Na deze algemene opmerkingen ging Schor wat dieper in op elke case study. In het geval van Airnbnb bevroeg ze 43 mensen die actief waren op het platform. Wat meteen opviel was de winstgerichte insteek van al deze mensen: steeds ging het over het geld dat te verdienen was en hoe dit een belangrijke drijfveer was. Voor mensen die niet op winst gericht waren bestonden er al alternatieven zoals Couchsurfing. Vaak ging het om redelijke bedragen die een aanzienlijk extra inkomen betekenden; hierdoor werd een dynamiek gecreeërd dat wanneer de familie in de eigen kamer bleef logeren men al begon te denken in termen van verlies aan inkomsten. Ongeveer de helft van de geïnterviewden gaf aan banden te smeden met hun gasten en hen lokale zaken lieten zien, de andere helft gaf aan enkel in het geld geïnteresseerd te zijn. Op het platform zelf viel op dat het verhuren van een extra kamer in een huis niet meer de hoofdmoot vormt van de activiteiten van Airbnb: veel bedrijven gebruiken het platform nu ook om kamers aan te prijzen, en in sommige steden is het al zover gekomen dat vastgoed speciaal wordt opgekocht om vervolgens op Airbnb te zetten. Deze commercialisering gaat dan ten koste van de lokale buurt en de betaalbaarheid van de (gezins)woningen in die stad. De problematiek doet een beetje denken aan het lot dat vele inwoners van Leuven beschoren is doordat het winstgevender is voor huisbazen om studenten te huizen in familiewoningen waardoor deze van de woningmarkt verdwijnen en de prijzen de hoogte ingaan. Kortom, het werd duidelijk dat Airbnb reeds lang niet meer voldeed aan de eigen boodschap.

Vervolgens kwam TaskRabbit aan de beurt. Dit bedrijf wordt vaak geciteerd onder tegenstanders van de deeleconomie als een hyperkapitalistische race naar beneden: mensen plaatsen een “task” op het online platform, en verschillende “rabbits” kunnen daar dan op reageren met een voorstel tot prijs. Uiteindelijk komt het tot een vergelijk en gaat de “rabbit” de “task” uitvoeren. Uit de interviews bleek dat de mensen die actief zijn op het platform vaak twintigers zijn die door de economische crisis werkloos of onder tewerkgesteld zijn en iets willen verdienen. De geïnterviewden waren initieel tevreden over het geld dat ze konden verdienen, een som die boven het minimumloon lag, maar gaven aan dat naarmate het aantal gebruikers steeg het er ook steeds harder aan toe ging: allerlei diensten tegen een absoluut minimale vergoeding, uitbuiting werd de norm. Voor hen was het ook moeilijk om te overleven enkel en alleen op Taskrabbit. Iedereen gaf wel aan de keuzevrijheid aan taken te appreciëren.

Tot dan toe waren het vooral de op winstgerichte segmenten van de deeleconomie die aan bod waren gekomen. Schor ging ook wat dieper in op de non-profit segmenten. Net als de rest van de deeleconomie zijn deze segmenten omringd door de taal van duurzame lokale productie, solidariteit, innovatie, gelijkheid en inclusiviteit. In tegenstelling tot de commerciële segmenten van de deeleconomie zijn ze er in geslaagd om dichter bij hun oorspronkelijk waardenkader te blijven doordat er geen winstlogica is. Ook bij deze initiatieven kunnen we ons vragen stellen, aldus het onderzoek van Schor.

Neem de Timebank bijvoorbeeld: het principe is dat mensen betaald worden in tijd. Als jij x aantal uren hebt gespendeerd voor bepaalde taken was iemand uit de gemeenschap hetzelfde x aantal uren verschuldigt om iets voor jou te doen. Schor moest toegeven dat dit idee voor een alternatieve economie gebaseerd op tijd gefaald had: er waren weinig kandidaten voor verschillende jobs. Bovendien waren ieders uren evenveel waard, ongeacht of het werk bestond uit programmeren, onderzoek doen of dogsitten, en de mensen op de site accepteerden dit niet of maar moeilijk. Vaak wou men zijn voornaamste vaardigheden niet aanbieden omdat men iets anders wou doen dat buiten de beroepsexpertise viel, maar omgekeerd verwachtte men wel dat de anderen in ruil wel zijn/haar beste vaardigheden zou inzetten. Er werden ook excuses ingeroepen om niet op een voorstel in te hoeven gaan, de andere had een te laag diploma, het taalgebruik en grammatica van de andere waren te slecht: kortom, rond de site hing een waas van snobbisme. Bijkomend probleem volgens Schor was ook dat de site oud was, geen reputatie en rating-systeem kende, en daardoor weinig attractief was bij de jonge generatie van facebook gebruikers.

Bij Foodswap ontwaarde Schor hetzelfde patroon, niet verrassend volgens haar omdat voedsel zowat het domein bij uitstek is voor snobbisme en distinctie. Bij Makerspace stelde ze dan weer vast dat alles zo obscuur en onpraktisch mogelijk moest zijn: zo kwam er het voorbeeld van een (volgens de normen van de Makers) belangrijk project waar men al lang aan bezig was, een zespotige robot van 2 meter hoog die over auto’s moest kunnen lopen. Bij de geinterviewde mensen van Makerspace werd ook snel een sfeer van elitistische kliekvorming duidelijk, blank, mannelijk, hoogopgeleid en sociaal gepriviligeerd.

Wat niet aan bod kwam bij Schor maar door voorstanders wel vaak wordt aangehaald als een voorbeeld van het revolutionaire potentieel van de deeleconomie zijn Linux en Wikipedia. Het conflict tussen de hackerscultuur in de begindagen van computers en programmeren en de software industrie begon in een vroeg stadium. Het was Bill Gates zelf die de computer-hobbyisten gemeenschap beschuldigde van diefstal en parasitair gedrag in een open brief aan de Homebrew Computer Club nieuwbrief:

“Zoals een meerderheid van de hobbyisten moet weten steelt een groot deel van jullie software. Voor hardware moet betaald worden, maar software is blijkbaar iets om te delen. Wie kan het schelen dat de mensen die er aan werkten betaald worden? […] jullie voorkomen dat goede software geschreven kan worden. Wie kan het zich veroorloven professioneel werk voor niets te doen?”(Bill Gates, 1976)[4]

De Free/Libre and Open Source Software (FLOSS) beweging bewees het ongelijk van Gates: veel vrije software blijkt meer stabiel te zijn en minder geplaagd door bugs dan vergelijkbare commerciële producten ontwikkeld door bedrijven als het Microsoft van Bill Gates. De FLOSS beweging was en is nog steeds een te duchten concurrent voor commerciële softwareontwikkeling. Ongeveer de helft van de wereldwijd 1 miljard drukst bezochte websites draaien op het open source besturingssysteem Apache, 21% draait op Nginx, een minder bekend open source systeem, terwijl het aandeel van Microsoft in de webservermarkt slechts 12% bedraagt. [5]

De Floss beweging is duidelijk voordelig gebleken voor de samenleving door vrije software te ontwikkelen, toegankelijk te maken voor het brede publiek en een legaal mechanisme te ontwikkelen om vrije code in het publieke open domein vast te zetten (GPL en open source licenties). De meest optimistische auteurs van de deeleconomie claimen dat het steunen van vrije software door grote bedrijven een goed voorbeeld is hoe het kapitalisme van binnenuit wordt ondergraven. Nochtans lijkt het erop dat die ondersteuning minstens even sterk de andere kant op gaat. Linux, het beste en meest genoemde voorbeeld van vrije software, begon als een deeltijds hobbyproject voor duizenden programmeurs. Wanneer we echter kijken naar het laatste Linux development verslag kunnen we lezen dat “het aantal betaalde ontwikkelaars toeneemt vermits bedrijven aggressief top Linux talenten recruteren. Meer dan 80% van de kernel ontwikkeling wordt gedaan door ontwikkelaars die betaald worden voor hun werk. Ontwikkelaars die op vrijwillige basis werken blijven niet lang op die basis werken.”[6]

De potentieel verstorende impact van de Floss beweging op commerciale software blijft groot, maar is grotendeels geneutraliseerd door grote bedrijven via cooptatie. Bovenstaande analyse toont aan dat naarmate de tijd verstrijkt de verstorende praktijken van de deeleconomie ingekapseld en gemengd raken met de kapitalistische logica gericht op het scheppen van toegevoegde waarde . Daardoor zijn sommige delen van de deeleconomie geen verstorende factor meer en veranderen ze in het omgekeerde: ze versterken juist het kapitalistische systeem.

Het andere bekende voorbeeld van de deeleconomie is Wikipedia. Voorstanders nemen Wikipedia als voorbeeld dat digitalisatie en peer productie een subversief karakter zou hebben en de kost van kwaliteitsvolle informatie naar nul gebracht hebben. Op het eerste zicht lijkt dit zo aangezien Wikipedia bij zijn roots van open toegang gebleven is, een van de drukste bezochte websites op het internet is, en vele encyclopedies overbodig heeft gemaakt. Wat echter vaak vergeten wordt is dat het de universiteiten zijn die de basis vormen van de vaardigheden die nodig zijn voor productie in de deeleconomie, en dat sites als Wikipedia indirect gefinancierd worden. Sterker nog, hierdoor zou men het argument kunnen poneren dat de maatschappelijke verhoudingen en ongelijkheden een spiegel kennen in de online wereld: toegang tot onderwijs, technologie en vrije tijd zijn factoren die mee de inhoud van het internet bepalen.

Onderzoek toont aan dat diegenen die studeren of afgestudeerd zijn aan de universiteit of hogeschool online het meest actief zijn.[7] Een studie van de adminstrators op Wikipedia toonde aan dat meer dan 90% een universitaire cursus had gevolgd, en dat meer dan 30% een master -of doctoraatsdiploma had.[8] Dezelfde studie toonde ook aan dat 44,3% van de administrators op Wikipedia voltijdse of deeltijdse studenten waren. Hoewel peerproductie zou kunnen bestaan op Wikipedia zonder instituten als de universiteiten, het zou waarschijnlijk niet op dezelfde schaal bestaan en de kwaliteit van de informatie zou er ook onder lijden. De universiteit betaalt vaak indirect voor de gratis bijdragen van studenten op sites als Wikipedia.

Bij het non profit segment kunnen we vaststellen dat hoe antikapitalistisch deze ook ogen, het commerciële gedeelte berust op allerlei soorten arbeid die nu bij de markt betrokken worden via allerlei online platformen. Ditmaal niet onder de vorm van een betrekking, een statuut en een verloning maar eerder als een vorm van verhandelen van sociale interacties en handelingen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het marktdenken via deze platformen het private leven in al haar aspecten binnendringt én omvormt. Het is ook niet duidelijk of en hoe je van de deeleconomie zou kunnen leven, en zoniet, of er uberhaupt tijd voor is na het uitoefenen van een hoofdberoep. De vraag die moet worden gesteld is of de deeleconomie het kapitalisme überhaupt wel ondermijnt of integendeel net versterkt door enkele sectoren te vervangen of te moderniseren? Hoe verhoudt de deeleconomie zich tot de permanente strijd voor minder sociale ongelijkheid, betere werk en leefvoorwaarden met sociale bescherming en, lonen waarvan men een ‘goed leven’ mee kan inrichten? Een strijd die vandaag door de vakbonden gevoerd wordt en nog steeds actueel is getuige hiervan het succes van de beweging in de VS voor 15$ uurloon (een eis die gelanceerd werd door Ksama Sawant in Seatle en nu op een hoger niveau wordt gedragen door Bernie Sanders, presidentskandidaat bij de Democraten.

De deeleconomie en het milieu

Schor stelde zich de vraag in hoeverre de deeleconomie haar belofte van meer vertrouwen en menselijk contact kon waarmaken: hoeveel mensen kon je nu echt leren kennen via al die platformen? Belangrijker nog was de vraag in hoeverre de deeleconomie een groene economie is of kan zijn. Daar was het antwoord dat er tot nu toe bijna geen onderzoek is gedaan naar de claims rond milieu van de deeleconomie. In het algemeen kan men stellen dat iets “sharen” het ook goedkoper maakt, wat dus kan leiden tot meer consumptie en meer vervuiling: via Airnbnb wordt reizen een stuk goedkoper, en dus gaan mensen ook meer reizen. Goedkope taxi’s via Uber haalt mensen uit het openbaar vervoer en in private wagens, wat leidt tot meer verkeer en dus meer vervuiling.

Ook bij de voorstanders van de deeleconomie wordt zelden of nooit rekening gehouden dat er achter dat hele digitale netwerk van de informatie revolutie wel degelijk een materiële infrastructuur zit van serverfarms, glasvezel kabels, robots en processoren. Deze hele infrastructuur wordt opgebouwd door een ouderwets industrieel proletariaat (ook grotendeels vergeten) dat in de ontwikkelende economieën migreert van het platteland naar de steden waar de fabrieken zijn. China is het gekendse voorbeeld. De wereld deïndustrialiseert niet, dit is enkel het geval in de ontwikkelde economieën van het Westen. Of dit een verklaring is van de reeks boeken rond post-kapitalisme in het Westen zou ons te ver leiden, maar het is wel interessant om aan te stippen.

Informatie is momenteel ook niet echt gratis, en de toenemende complexiteit van het internet maakt dat er toenemende eisen zijn op vlak van berekening. Vaak wordt genegeerd hoe belangrijk de kosten in grondstoffen en energie zijn om complexe berekeningen te doen: het lijkt misschien alsof iedereen toegang tot Google heeft, maar in de realiteit is de kost in grondstoffen en energie van de zoekalgoritmes enorm om in een steeds groter wordende zee van data efficiënt verbonden te worden met de relevante informatie. Hetzelfde geld voor Youtube, Facebook, Wikipedia, de hele blogosfeer, … allen steunen ze op een massale ontplooiing van hardware die op zijn beurt nood heeft aan het ontginnen van allerlei zeldzame mineralen, de fabricatie van microchips en een gigantische energiekost.

Wat is eigenlijk de energiekost van de digitale economie? De globale digitale “biotoop” omvat alles van smartphones tot laptops over digitale televisies tot de enorme serverfarms die de fysieke ruggegraat vormen van het internet. Mark Mills, CEO van de Digital Power Group stelde in een studie, The Cloud Begins with Coal (2013) dat het globale ICT systeem 10% van de ’s werelds geproduceerde energie nodig heeft. Het internet, de cloud, gebruikt jaarlijks ongeveer 1500 terawatt (1 terawatt is 1 miljard kilowat), wat overeenkomt met de gecombineerde electriciteitsproductie van Japan en Duitsland per jaar.[9] Dat is dezelfde hoeveelheid elektriciteit die gebruikt werd om de hele planeet te verlichten in 1985. Al deze toestellen worden ook steeds krachtiger en compacter, wat ook resulteert in een groter energieverbruik. We gebruiken reeds 50% meer energie om bytes te verplaatsen dan vliegtuigen gebruiken om zich te verplaatsen. Het hoeft dus niet te verbazen dat het lijkt alsof onze smartphones constant moeten opgeladen worden.

Indien onze activiteiten steeds meer zouden migreren naar de cloud, en indien er steeds meer en meer draadloze toestellen deel worden van ons dagelijks leven zal de energieconsumptie evenredig toenemen. Die evolutie onderstreept nog maar eens voor wat een ecologische uitdaging we staan om ons elektriciteitsverbruik en onze CO2 uitstoot te verminderen, zelfs al worden we steeds energie-efficiënter.

Kortom, de vraag van de externe kosten van de informatie revolutie worden bijna nooit gesteld bij de voorstanders. Het ergste voorbeeld hiervan kunnen we terugvinden bij Jeremy Rifkin in het hoofdstuk van the zero marginal cost society waar het over 3D printers gaat. [10] Volgens hem zal deze technologie elk van ons in staat stellen om onze materiële noden uit te printen aan geen of bijna geen kosten. Dit klopt natuurlijk niet, ook al stoelt de boodschap in zijn boek grotendeels op die stelling. Ten eerste staat deze technologie nog in haar kinderschoenen, iets wat iedereen die al een Fabrication Lab met 3D printers heeft bezocht kan beamen, en ten tweede is er een enorme logistieke en ecologische kost verbonden met het iedereen voorzien van de plastic korrels (pellets) die nodig zijn om een 3D printer te laten werken. Bezwaarlijk gratis of bijna gratis te noemen, en plastic is een van de slechtst mogelijke materialen ecologisch gesproken, zoals de documentaire Plastic Planet aantoont.[11] Ook zijn argumentatie rond een energiekost die tot nul wegzakt dankzij de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen wordt door heel wat wetenschappers als betwistbaar aanzien. Het is niet omdat energiebronnen minder of niet vervuilend kunnen zijn dat ze ‘kosteloos’ zullen worden. Zelfs niet binnen een openbare dienst.

Nog erger is dat de vraag of deze vorm van productie en consumptie duurzaam voor de planeet is vaak zelfs niet gesteld wordt.

De deeleconomie en het beurswezen

Schor vermeldde ook niets over het financieren van de commerciële platformen, maar volgens Crunchbase haalde Uber meer dan 5 miljard euro aan investeringen binnen sinds de oprichting van het bedrijf in 2009. Airbnb en Lyft haalden elk meer dan 700 miljoen euro binnen sinds de oprichting in respectievelijk 2008 en 2012.[12] [13] [14] Alle grote spelers in de deeleconomie zijn technologiebedrijven gevestigd in het Bay gebied van San Francisco waar er een hoge concentratie van durfkapitaal (venture capital) is. De sector trekt regelmatig nieuwe investeerders aan. Wanneer we gaan kijken naar de website van Peers, een grassroots organisatie die de deeleconomie beweging steunt, treffen we naast een interface die onderscheid maakt tussen “werk zoeken” en “werk managen” ook een overzicht aan van de verschillende leden van Peers. Hieruit blijkt dat Peers een “grassroots” organisatie zonder lokale afdelingen maar met veel “bedrijfspartners” waaronder een paar bedrijven die grote sommen durfkapitaal hebben aangetrokken zoals we hierboven hebben gezien.

Het totaal aangetrokken bedrag voor alle bedrijven op peers.org is ruim boven 8 miljard euro volgens Crunchbase, en het geld komt van investeerders als Goldman Sachs, Google Ventures of Jeff Bezos, multimiljardair, stichter en bedrijfdsleider van Amazon.com. Dit kunnen we moeilijk omschrijven als een gezelschap dat tegen de gevestigde waarden en belangen van het kapitalisme zal ingaan. Durfkapitaalfondsen zijn niet geïnteresseerd in lokale cooperatieven en burgergroepen, ze zijn geïnteresseerd in investeringen met een zo hoog mogelijke return on investment. De financiele drijfveren achter de deeleconomie komen bij Jeremy Rifkin, Michel bauwens of andere voorstanders van de deeleconomie niet of nauwelijks aan bod. In het beste geval getuigt dit van een ongelofelijke naïviteit en het vermogen zichzelf en anderen iets wijs te maken, in het slechtste geval van intellectuele oneerlijkheid.

Het is belangrijk dit in de verf te zetten, want optimistische beschrijvingen over hoe de sharing economy zal leiden tot een meer gelijke wereld waarin we minder consumeren en onze buren meer vertrouwen zijn problematisch. Zij hebben de neiging te verbergen dat het op winst gerichte organisaties gefinancieerd door durfkapitaal zijn die een groot aandeel hebben in de snelle verspreiding van deeleconomie diensten. Veel voorstanders schenken ook weinig aandacht aan de diensten zelf, de digitale platformen die grote financiele beloningen hopen te bekomen van al dit “delen”: zij gooien de deeleconomie op een hoop en analyseren deze op een akritische manier. Het wordt hoe langer hoe meer duidelijk dat de commerciële vleugel van de deeleconomie zich de taal van het collectieve en het progressieve heeft weten toe eigenen voor financieel gewin.

Persoonlijk denk ik dat de winsthonger van het risicokapitaal schaalvergroting vraagt. Dit zal leiden tot veranderingen in de aard van de deeleconomie, veranderingen die elke nadruk op zelforganisatie en community-based gebruik zullen doen afkalven terwijl nieuwe mega-monopolies verder het internet zullen inpalmen. Deze evolutie is nu reeds merkbaar bij de grootste bedrijven. Airbnb huurde in 2013 een “vertrouwen -en veiligheidsteam”team van 50 medewerkers in om conflicten te beheren en nieuwe reservaties in de gaten te houden. Onder de slogan “vertrouwen is de sleutel van onze gemeenschap” voerde Airbnb een “geverifieerd identiteitsprogramma” in dat aan gebruikers officiele identificatie vraagt en het bedrijf in staat stelt het gedrag van deze gebruikers op de diverse sociale media te controleren of om een videoprofiel aan te maken. [15] Kortom, Airbnb stapt af van het idee dat peer to peer reputatie systemen het problem van vertrouwen kunnen oplossen. Het distantieert zich steeds meer van de losse “luchtmatras” mentaliteit waar de naam vandaar komt, en steunt steeds meer op traditionele gecentraliseerde systemen van afgedwongen minimum standaarden, document verificatie, enzovoort.

De bedrijven die deel uitmaken van de deeleconomie zullen lobbyen om vrijgesteld te worden van beperkingen die winstmaximalisatie in de weg staan: regels rond gezondheid en veiligheid, arbeidsvoorwaarden, vergunningswetten, … hierin zullen ze niet anders zijn dan andere bedrijven. Om succesvol te zijn zal de door venture kapitalisten gefinancierde deeleconomie verplicht alle informele aspecten van de sociale praktijk van het delen afbouwen. Intussen zullen arbeidsrechten en minimale standaarden verder ondermijnd worden. Als de deeleconomie daarin slaagt zal ze de progressieve taal van coöperatieven en sharing gebruikt hebben om een ongereguleerde ultraliberale op winst gerichte economie te bekomen.

De deeleconomie en de welvaartsstaat

Na het betoog van Schor werd het woord aan Stijn Oosterlynck gegeven, docent stedelijke sociologie aan de universiteit van Antwerpen en onderzoeker in de domeinen armoede en uitsluiting. Hij voorzag het debat van een inleiding met de vraag of de deeleconomie sociale uitsluiting kan tegengaan, en hoe dit verhaal zich zou positioneren in een postkapitalistische context. Voor hem was het belangrijk dat we de hele beweging analyseren, en niet slechts 1 aspect ervan. Gezien haar achtergrond spitste Schor zich meer toe op de ecologische vraag, of de deeleconomie een aanzet kon zijn naar een meer groene economie, terwijl Oosterlynck zich meer richtte op de sociale kwestie: hoe zit het met inkomen en de sociale zekerheid bij de deeleconomie? Kortom, hoe verhoudt de deeleconomie zich tot de welvaartsstaat?

Zoals de lezing van Schor aantoonde is een gelijke behandeling binnen de deeleconomie problematisch terwijl de toegang in de welvaartsstaat universeel kan zijn. Veel mensen kunnen immers niet werken: ze zijn te jong, te oud of ziek. Voor hen biedt de welvaartsstaat een universele sociale bescherming. Alle genoemde initiatieven in de deeleconomie spreken over het bevredigen van de behoeften van mensen, en of we deze behoeften en noden kunnen bevredigen zonder onze ecologische voetafdruk te vergroten. Oosterlynck legt de link met de sixties waar de woordenschat van participatie en autonomie ook te horen was buiten de grote bedrijven. Het verhaal van de deeleconomie spreekt ook aan omdat ze de links-rechts tegenstelling overstijgt: dat verklaart ook waarom in België zowel CD&V, NVA als Groen wel wat zien in de deeleconomie.[16] [17] [18] De industriele revolutie van de 19e en 20e eeuw brachten allerlei menselijke behoeften naar voor rond pensioenen, ziekte, arbeidstijd, arbeidsomstandigheden, … en het antwoord daarop was een gemutualiseerde sociale bescherming. Deze werd na de Tweede Wereldoorlog verstaatst. Indien dedeeleconomie een alternatief wil zijn op het kapitalisme zal zij moeten aantonen hoe zij anders en vooral beter is dan een sociale bescherming ingericht door of onder voogdij van de overheid.

Oosterlynck benoemde twee grote uitdagingen voor de welvaartsstaat. Ten eerste stelde hij de vraag welke plaats een actieve burger heeft in een bureaucratische welvaartsstaat? Hoe kunnen mensen het passieve overstijgen en meer doen dan enkel werken, belasting betalen en een uitkering krijgen? In dat opzicht kan de welvaartsstaat mensen een machteloos en onmondig gevoel geven. Ten tweede vroeg hij zich af hoe het zat met economische groei? Schor hangt meer de radicaal ecologsiche anti-groei these aan, terwijl groei juist nodig is om de sociale zekerheid te kunnen financieren aldus Oostlynck. Indien groei slecht is, hoe kan men dan de sociale zekerheid behouden, laat staan verbeteren tegen een achtergrond van steeds meer ouderen en singles?

Onze sociale rechten staan ook neergeschreven in wetten, terwijl de deeleconomie het duidelijk anders aanpakt op dat vlak. Tot slot is er de sleutelvraag: kunnen mensen, burgers, met hun noden en behoeften terecht bij de deeleconomie? Doorstaat de deeleconomie de toets met de welvaartsstaat? De welvaartsstaat is volgens Oosterlynck in de penarie: er zijn te weinig jobs voor laaggeschoolden, er is geen oplossing voor langdurig werklozen. Kan de deeleconomie een oplossing zijn voor die problemen? Zoja, en indien dat met sociale rechten en kwaliteitsvolle tewerkstelling gepaard gaat, dan kan de deeleconomie compatibel zijn met de welvaartsstaat, anders niet.

In haar reactie stipte Schor drie punten aan. Ten eerste gaf ze toe dat de markt inderdaad veel ongewenste uitkomsten had en dat we op het punt zijn gekomen dat we marktwerking moeten in vraag stellen en niet als een eeuwig gegeven te beschouwen. De welvaartsstaat is binnen de huidige geglobaliseerde kapitalistsiche constellatie steeds moeilijke te handhaven (er is ook wel iets als een neoliberale oorlog tegen de welfare state bezig), en dat maakt de sharing economie aantrekkelijk. Zij geeft mensen immers de illusie dat het mogelijk is oplossingen te zoeken buiten de bestaande verhoudingen. De vraag of men kan leven van de commerciële segmenten van de deeleconomie werd niet duidelijk beantwoord, en dat de deeleconomie buiten de markt stond was een merkwaardige stelling gezien de resultaten van haar case studies. Vervolgens gaf ze aan dat een onvoorwaardelijk basisinkomen echt nodig is om de nonprofit segmenten van de deeleconomie te laten werken. Dit is problematisch en een discussie op zich waard. Tot slot vermeldde ze de mogelijkheid dat de verschillende platformen eigendom van de gebruikers moesten kunnen worden en door hen beheerd kunnen worden.

Hoe gewone gebruikers het eigendom van al deze platformen moesten bekomen en sociale rechten in de deeleconomie afdwingen werd niet aangehaald. Het lijkt duidelijk dat dit zonder sociale strijd nooit het geval zal zijn, en dit is net een van de zaken die door auteurs als Schor, Bauwens en Rifkin niet aangehaald worden in hun discours, alsof de voorschrijdende technologie alleen genoeg zal zijn om tot een meer gelijke en groene economie te komen. Als de geschiedenis ons iets leert is dat we sociale strijd nodig hebben om zaken als gelijke rechten en publiek eigendom te bekomen, en dan zal de links-rechts deling over de deeleconomie naar boven komen.

Conclusie

Velen van hen die de deeleconomie bestuderen gaan nog steeds uit van de veronderstelling dat peer-productie radicaal inclusief, egalitair, efficient en psychologisch vervullend is. Daardoor wordt al te makkelijk de stelling herhaald dat peer-productie een revolutie betekent voor de manier waarop we produceren en consumeren, cultuur democratiseren en een robuust publiek domeinen scheppen. De PC, het vroege internet, en daarvoor nog het vliegtuig, de spoorweg en de telegraaf werden net als de deeleconomie bejubeld en bestempeld met hetzelfde egalitaire potentieel.

In 1930 al kwam de econoom John Maynard Keynes met een gelijkaardig betoog in Economic Possibilities for our Grandchildren: “voor de eerste keer in zijn bestaan wordt de mens geconfronteerd met zijn echte, zijn permanente probleem – hoe om te gaan met zijn vrijheid van dringende economische zorgen, hoe de vrije tijd in te vullen die voor hem gewonnen zijn door wetenschap en samengestelde interest” Keynes voorspelde een overvloed aan goederen en een drie-uren werkdag voor het einde van de 20ste eeuw, of 60 jaar later om precies te zijn. Dezelfde postkapitalistische droom als Rifkin, Mason en Bauwens, maar één die in 1990 zou uitgekomen zijn.

Tot 1990 werd een belangrijk deel van de toenemende productiviteit omgezet in minder werkuren, ondermeer door de voortschrijdende technologie en automatisering, maar zeker ook door de toenomen graad van scholing. Zoals we uit de grafiek[19] met cijfers van de OESO hieronder kunnen zien is het percentage werkenden voor wie de werkweek langer dan 40 uur duurde sinds 1983 gedaald ten gunste van mensen die 35-40 uren per week werkten. Opmerkelijk: die daling zich zich bijna volledig voor 1990 voor. Sindsdien is er weer een stijgende trend naar langere werkweken. Dus ondanks de grote informatie-revolutie die begonnen is in de “neoliberale” periode van het kapitalisme is de Belgische werkweek niet ingekort maar integendeel toegenomen. Dit zou tot nadenken moet stemmen voor hen die in de automatisering het einde van het kapitalisme ontwaren.

De voorstanders van de deeleconomie hebben allemaal een neiging van ‘technologisch determinisme’. Het is alsof de technologie de intrinsieke kracht heeft het kapitalisme de ondermijnen en ons in staat stelt ons te bevrijden van kapitalistische verhoudingen. Bijgevolg moeten we gewoon moeten afwachten tot de digitale revolutie de winstmarges van het kapitalisme onherroepelijk zal aangetast hebben. Dit geeft mensen de valse hoop dat technologie op zichzelf de maatschappij naar een betere toekomst zal leiden zonder de nood aan sociale, politieke of economische emancipatie. De belangrijkste problemen voor werkende mensen zijn nog steeds diegenen die ze altijd geweest zijn: een verbetering van lonen, kortere arbeidsduur, betere arbeidsomstandigheden, jobzekerheid en sociale zekerheid. Werkende mensen komen voor zichzelf op in deze zaken via vakbonden en politieke strijd. Technologisch determinisme trivialiseert de sociale strijd die aanwezig is in de maatschappij, dezelfde sociale strijd die ook bepaalt of we vooruitgang maken op deze vlakken, en zoja, welke vooruitgang dit dan is. In het wereldbeeld van het technologisch determinisme worden problemen op technologische wijze opgelost maar worden sociaal-politieke tegenstellingen nooit uitgevochten.

Een tweede fundamenteel probleem is een onwil om het geld te volgen. Het internet is niet één model van delen, collaboratie en collectieve actie: het is vele modellen. Er is een nood om een onderscheid te maken tussen deze verschillende modellen, om te bestuderen welke er legitimiteit en duurzaamheid hebben, en welke niet. Misschien is het stilaan ook niet meer nodig om te vertellen dat het internet iets groot(s) is. Het wordt tijd om dit als startpunt van onderzoek en discussie te nemen en niet als de conclusie. De vraag wordt dan wat voor soorten structuren er zich zullen vormen en blijven bestaan in de online wereld, welke soort economie zich daar ontwikkelt en welke impact dit heeft op het dagelijks leven van mensen, zowel binnen de werksfeer als erbuiten (vrije tijd en intieme sfeer). Het lijkt mij alleszins duidelijk dat de deeleconomie geen beginnend postkapitalisme is maar een herschikking van het bestaand kapitalisme. Het is essentieel die twee zaken niet met elkaar te verwarren.

Het commerciële segment van de deeleconomie leidt tot een aangroei van globale precaire jobs onder controle van super-machtige multinationals. Het doet de grens tussen werk en privé vervagen via een technologisch platform waardoor we constant beschikbaar moeten/kunnen zijn voor de werkgever. Werkenden zijn dan geen ‘loontrekkenden’ maar micro-ondernemers en hierdoor zal de concurrentie op de arbeidsmarkt versterkt worden met alle gevolgen vandien. Investeerders investeren in individuele deeleconomie-bedrijven omdat ze potentieel een constant bereik in tijd en een globaal bereik in ruimte hebben, en telkens winst boeken op miljoenen transacties rond de wereld. Het is duidelijk dat de commerciële vleugel de taal van het collectieve en het progressieve gecoöpteerd heeft voor eigen financieel gewin.

De bedrijven in de deeleconomie hebben zich allemaal afgekeerd van hun peer2peer wortels, hoewel ze nog steeds de taal gebruiken van delen en ontvoogding. Het niet commerciële segment van de deeleconomie wordt steeds meer opgezogen door commerciële belangen. Ook al slagen sommige digitale deelplatformen zoals Wikipedia er in om zich te verzetten tegen commerciële belangen en publiek te blijven, toch hebben ze nog steeds problemen rond toegankelijkheid en neigen ze om maatschappelijke ongelijkheden online te reproduceren. Hoewel de niet commerciële stukken van de deeleconomie zeker hun nut hebben zijn ze op zichzelf bezwaarlijk de motors van een revolutie die voorstanders ervan maken.

Indien de voorstanders ons echter vertellen dat we zo productief zijn geworden dat we de voorwaarden hebben geschapen voor een samenleving gebaseerd op overvloed en een einde kunnen maken aan de exploitatie van de 99% door de 1%, dan hebben ze gelijk. Dit is echter niets nieuws onder de zon: Marx heeft dit 160 jaar geleden al geschreven en de sociale vooruitgang die we hebben gekend is er enkel door strijd gekomen.

 

[1] Bauwens, M., De Wereld redden: met peer to peer naar een postkapitalistische samenleving, 2013, p.31-32

[2] Mason? P., http://www.theguardian.com/books/2015/jul/17/postcapitalism-end-of-capitalism-begun

[3] Rifkin, J., The Zero Marginal Cost Society, 2014, p.187

[4] Gates, Bill. 1976. An open letter to hobbyists. Homebrew Computer Club Newsletter 2, no. 1: 2.

[5] Netcraft (2015), January 2015 Web Server Survey, URL: http://news.netcraft.com/archives/2015/01/15/january-2015-web-server-survey.html

[6] The Linux Foundation Releases Linux Development Report, 2015, http://www.linuxfoundation.org/news-media/announcements/2015/02/linux-foundation-releases-linux-development-report

[7] Hindman M (2009) The Myth of Digital Democracy. Princeton, NJ: Princeton University Press.

[8] Baytiyeh H, Pfaffman J (2009) Why be a Wikipedian? Proceedings of the 9th International Conference on Computer Supported Collaborative Learning 1. New York: ACM, 434–43.

[9] http://www.tech-pundit.com/wp-content/uploads/2013/07/Cloud_Begins_With_Coal.pdf

[10] Rifkin, J., The Zero Marginal Cost Society, 2014, p.75-91

[11] http://www.imdb.com/title/tt1292648/

[12] https://www.crunchbase.com/organization/uber

[13] https://www.crunchbase.com/organization/airbnb

[14] https://www.crunchbase.com/organization/lyft

[15] Airbnb Adds Identity Verification To End Anonymity In Sharing Economy, 2013, http://www.forbes.com/sites/tomiogeron/2013/04/30/airbnb-adds-identity-verification-in-big-step-for-sharing-economy/

[16] http://www.demorgen.be/binnenland/cd-v-vervang-belbus-door-uber-a2291273/

[17] https://www.n-va.be/nieuws/uber-in-vlaanderen-evaluatie-taxiwetgeving-dringt-zich-op

[18] https://www.groen.be/programma (onder duurzame economie) en Gents schepen van mobiliteit Fillip Watteeuw http://www.nieuwsblad.be/cnt/blkva_20140428_006

[19] Statistische databank OESO, http://stats.oecd.org/Index.aspx?DataSetCode=USLHRS_D

 

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*