Reproductie, feminisme en antikapitalisme. Een ontmoeting met Silvia Federici

Vandaag, 8 maart, publiceren ter gelegenheid van de internationale strijddag voor de vrouwenrechten een lang gesprek met Sylvia Federici, italiaanse-amerikaanse activiste en sociale wetenschapster actief binnen de marxistische autonome feministische beweging. Federici doceerde lange tijd sociale wetenschappen aan de Hofstra University; heeft in Nigeria ontwikkelingssamenwerking gedaan en is mede-stichter van het comité voor academische vrijheid in Afrika. Federici is auteur van o.m. ‘Caliban and the Witch: Women, the Body and Primitive Accumulation’ (2004) en ‘Revolution at Point Zero: Housework, Reproduction, and Feminist Struggle’ (2012).

Kan u zichzelf eens voorstellen aan de hand van ervaringen die u gevormd hebben en die uw academische en politieke oriëntatie sterk hebben beïnvloed?

Sylvia Federici: De vroegste en meest bepalende ervaring in mijn leven was die van de Tweede Wereldoorlog. Ik ben opgegroeid in de onmiddellijk naoorlogse periode, toen de herinnering aan een oorlog die jaren had geduurd, en waaraan in Italië een periode van fascisme was voorafgegaan, nog heel vers was. Al op jonge leeftijd was ik me ervan bewust dat ik geboren was in een enorm verdeelde en moorddadige wereld, en besefte ik dat de staat ook een vijand kon zijn in plaats van bescherming te bieden. Kortom, ik wist al vroeg dat het leven zeer onveilig kon zijn, zoals Joan Baez het later in een song verwoordde: “There but for fortune go you and I.” Voor iemand die opgroeide in dat naoorlogse Italië, met de erfenis van het fascisme, was het bijna onmogelijk om niet gepolitiseerd te worden.

Zelfs als klein meisje kon ik bij het horen van de verhalen van mijn ouders en mijn vaders tirades tegen het fascistische regime niet anders dan zelf antifascist worden. Bovendien woonden we in een communistisch-gezinde stad. Op de eerste mei werden we wakker op de tonen van Bella Ciao en zagen we arbeiders met anjers op hun vest pronken. De strijd tussen communisten en fascisten duurde er voort, waarbij de fascisten om de zoveel tijd het verzetsmonument probeerden op te blazen en de communisten hen dat betaald zetten met aanslagen op het hoofdkwartier van de MSI (Movimento Sociale Italiano) die, zoals iedereen wist, een verderzetting was van de verboden fascistische partij. Tegen de tijd dat ik 18 jaar oud was zag ik mezelf als een radicaal en was ik ervan overtuigd dat de strijd van de fabrieksarbeiders en de antifascistische strijd nog steeds hét toonbeeld was van de te voeren strijd.

Een andere belangrijke en in politiek opzicht vormende ervaring beleefde ik toen ik naar de Verenigde Staten trok. Dat was in de zomer van 1967. De universiteitscampus van Buffalo, waar ik de volgende drie jaar zou studeren, broeide van activiteiten. Dat had ondermeer te maken met de ligging vlakbij de grens met Canada, waardoor er een grote aanwezigheid was van antioorlogsactivisten die aan de dienstplicht probeerden te ontsnappen. Toen ik er aankwam waren er volop mobilisaties aan de gang om steun te betuigen aan de zogenaamde ‘Buffalo Nine’, die gearresteerd waren bij een poging om de grens over te steken, en om protestacties op te zetten tegen de veroordeling van Martin Sostre, een Puerto Ricaanse activist die erg gerespecteerd was binnen de zwarte gemeenschap en die erin werd geluisd met vals bewijsmateriaal dankzij medewerking van de FBI. Het duurde niet lang voor ik me engageerde in de studentenprotesten en de antioorlogsbeweging. Ik ging aan de slag bij Telos en bij een undergroundblad dat The Town Crier heette. In de VS leerde ik meer over de erfenis van slavernij, racisme en imperialisme. Het was ook daar dat ik vertrouwd raakte met het Italiaanse ‘Nieuw Links’, met het ‘Operaismo’ en met de buitenparlementaire groepen die ontstonden in de nasleep van ’68 in Frankrijk en de Italiaanse ‘Hete Herfst’. Ik vond Tronti’s interpretatie van Marx inspirerend, in het bijzonder zijn kijk op het primeren van de werkende klasse in de verhouding tot het kapitaal, waarbij het kapitaal zich niet vanuit een autonome logica ontwikkelt maar als een reactie op de klassenstrijd, die de ware motor van sociale verandering is. Dat is een wezenlijke les voor mij geweest, ik heb erdoor geleerd om steeds de strijd en de sociale contradicties te zoeken om inzicht in de sociale werkelijkheid te krijgen. Het operaïsme bood ook een kritiek van het historisch materialisme en de politiek van de traditionele communistische partijen. Het was natuurlijk ook belangrijk dat ik in de VS vertrouwd raakte met het nieuwe Italiaanse politieke denken omdat ik hier niet kon voorbijgaan aan de geschiedenis van het kolonialisme en de slavernij, dus van diegenen zonder loon. Die geschiedenis – en zeker ook mijn eigen ervaring van op te groeien in een nog erg patriarchaal naoorlogs Italië – heeft een stempel gedrukt op mijn belangstelling voor het feminisme, wat op zich weer een ander kantelpunt in mijn leven was. Daar ga ik nu niet verder op ingaan aangezien mijn werk zelf voldoende voor zich spreekt. In de plaats daarvan wil ik het hebben over wat het voor me betekende om in de vroege jaren ’80 les te gaan geven in Nigeria. Het was mijn eerste ontmoeting met Sub-Saharaans Afrika. Tegen die tijd had ik al aardig wat gelezen over zowel het kolonialisme als de politiek van ontwikkeling en onderontwikkeling, maar mijn tijd in Nigeria bracht een ander moment van subjectieve politieke transformatie teweeg, niet omdat deze ervaring mijn kijk op sociale verhoudingen heeft veranderd, maar omdat ze een realiteit ontsloot die ongelooflijk anders was dan wanneer ik deze beleefde via mijn kennis ervan uit boeken. In Nigeria leerde ik over gemeenschapsverbanden, over het blijvende belang van land, over de vloek die olie is voor de landen waar er wordt gevonden, en over de grote creativiteit van Afrikaanse mensen. Met de escalatie van de schuldencrisis en de politieke repressie kwam de periode dat ik er les gaf ten einde. Terug in de VS echter, begon ik meer tijd door te brengen in Mexico; en meer recent in andere Latijns-Amerikaanse landen, ondermeer omwille van de publicatie van Caliban and the Witch in Mexico, Argentinië, Ecuador en nu in Brazilië. Ik vermeld Latijns-Amerika omdat de strijd die mensen er voeren om hun autonomie te vrijwaren en om, tegen de heersende situatie van totale onteigening in, toch te werken aan onafhankelijke en collectieve vormen van reproductie en zelfbestuur, ondanks de ontberingen waarmee zij (en vrouwen in het bijzonder) kampen en die te maken hebben met de politiek van het uitverkopen van natuurlijke rijkdommen en met het alomtegenwoordige geweld – van het leger, paramilitaire groepen, drugshandelaars, de DEA met haar ‘War On Drugs’ – voor mij geen model maar wel een bron van inspiratie is die mijn politieke denken en praktijken positief beïnvloedt.

U was tijdens de jaren ’70 betrokken bij de groep Lotta Femminista, met o.m. Leopoldina Fortunati, Mariarosa Dalla Costa en Selma James. Kan u de historische en politieke relatie tussen Lotta Feminista en het ‘operaisme’ beschrijven? Waarom was het, denkt u, belangrijk voor de groep om zich kritisch op te stellen ten aanzien van de Staat of de vakbonden?

Ik heb nooit deel uitgemaakt van Lotta Femminista. Ik was al in de VS toen de groep werd gevormd, en de Italiaanse vrouwen met wie ik samenwerkte tijdens de campagne van ‘loon voor huishoudelijke arbeid’ (Wages for Housework – WfH) hadden gebroken met Lotta Feminista, precies omwille van de kwestie van WfH. Daarom kan ik niets zeggen over hun relatie met ‘operaismo’. Mariarosa dalla Costa en Leopolda Fortunati hebben daar beiden over gesproken en ik verwijs dus naar hen. Wat mezelf betreft, ik had het daarnet al over wat ik te danken heb aan ‘operaismo’ en hoe mijn benadering van WfH erdoor beïnvloed werd. Ik wil eraan toevoegen dat Tronti’s Operai e Capitale (Workers and Capital) niet enkel een centrale rol toekende aan de klassenstrijd in het geven van richting aan kapitaalsbewegingen, maar ook het concept van de ‘sociale fabriek’ introduceerde. Hij gebruikte deze term eigenlijk niet, maar hij kwam wel met de redenering dat de fabriek, op een bepaald moment van de kapitalistische ontwikkeling, de samenleving herschept naar haar eigen beeld en voor de eigen productiviteitsbehoeften. Hij doelde in het bijzonder op de manier waarop onderwijssytemen werden ingezet om de proletarische jeugd voor te bereiden op industriële arbeid. Dat resoneerde met onze analyse van de gemeenschap, het huishouden en het gezin als productiecentra van arbeidskracht, en dus als kapitalistische constructies eerder dan als overblijfselen van prekapitalistische sociale relaties, terwijl dat laatste op dat moment zelfs binnen de feministische beweging een dominante opvatting was.

Het lijkt ons aannemelijk dat er parallellen te trekken zijn tussen sommige van uw standpunten en deze van Paddy Quick, Maria Mies of Wally Secombe. Jullie beargumenteren allemaal dat we verschillende zaken in rekening moeten brengen bij een materialistische benadering van de onderdrukking van vrouwen: seksuele arbeidsverdeling, sociale reproductie, controle over het vrouwenlichaam en de reproductieve kracht, en de dynamische invloed van familievormen. U situeert uw werk binnen de theoretische nalatenschap van het debat over huishoudwerk, en u put daarbij uit het betoog van Dalla Costa en James dat stelt dat de uitbuiting van vrouwen binnen het systeem van kapitalistische seksuele arbeidsverdeling en onbetaalde arbeid een centrale functie bekleedt in het proces van kapitalistische accumulatie. Wat identificeert u als specifiek kapitalistische “bewegingswetten”, verschillend van de feodale? Welk historisch proces gaf volgens u aanleiding tot de opkomst van een logica die zich als kapitalistisch onderscheidt?

Hoewel alle auteurs die u vermeldt de positie van vrouwen in de kapitalistische samenleving funderen in het reproductieproces, zijn er toch significante verschillen tussen ons. Een verschil – bijvoorbeeld tussen de analyse van ‘loon voor huishoudelijk arbeid’ en deze van Maria Mies – is dat we huishoudelijke arbeid steeds gedefinieerd hebben als een kapitalistische constructie, en meer specifiek als werk waarvan het sociale doel de reproductie van arbeidskracht is. Ik heb vaak benadrukt dat huishoudelijk/reproductieve arbeid in werkelijkheid van dubbele aard is: het reproduceert ons leven en tegelijkertijd wordt het ook verwacht de arbeidskracht te reproduceren, waardoor het aan welbepaalde beperkingen onderhevig is. In Mies’ werk is dat onderscheid niet altijd terug te vinden. In haar analyse is er sprake van een continuïteit tussen huishoudelijke arbeidstaken en op levensonderhoud gerichte reproductie in zogenaamde ‘onderontwikkelde’ landen. Dat klopt voor een deel. Maar er is een verschil tussen huishoudelijke/reproductieve arbeid onder omstandigheden waarin vrouwen toegang hebben tot land of andere vormen van reproductie, zoals bijvoorbeeld in vele inheemse gemeenschappen, en huishoudwerk dat niet betaald wordt en afhankelijk is van een (meestal mannelijk) loon. Desalniettemin is er een grote mate van overeenkomst met Mies en waardeer ik de manier waarop ze het concept van reproductie heeft uitgebreid met agrarische arbeid in een groot deel van de zogenaamde derde wereld.

Het onderscheid tussen het feodale systeem en het kapitalistische systeem komt neer op de radicale onteigening waaraan de werkenden onderworpen worden in het kapitalisme, alsook het feit dat geïsoleerd zijn ten opzichte van de productiemiddelen. Dat is de motor van kapitalistische ontwikkeling en van de intense uitbuiting van arbeid. Zoals ik heb benadrukt in Caliban and the Witch, is kapitalisme het eerste systeem van uitbuiting dat arbeid als de belangrijkste vorm van rijkdom ziet, meer dan land. Omwille van die reden heeft het kapitalisme een gans nieuwe politiek ontwikkeld met betrekking tot het disciplineren van het lichaam, vooral het vrouwelijke lichaam, en het sturen van de reproductie, te beginnen bij de voortplanting. Het kapitalisme moet controle verwerven over het reproductieve werk omdat het een centrale factor is in het accumulatieproces, in die zin dat reproductieve arbeid dient voor de reproductie van arbeidskracht, en dus van ons vermogen om te werken, eerder dan bijvoorbeeld de reproductie van onze strijd.

In Caliban and the Witch verwijst u naar het artikel van Robert Brenner, “Agrarian roots of European capitalism”. Wat is uw opinie over de school van het Politieke Marxisme en hun betoog over “de grote transitie”?

Ik herinner me nu niet meteen alle argumenten van Brenner en de school van het Politieke Marxisme. Ik ging akkoord met de nadruk op de transformatie van agrarische relaties in Europa als cruciale factor voor kapitalistische ontwikkeling, hoewel de totstandkoming van een agrarische markt ook mogelijk werd gemaakt door de stroom van zilver die volgde uit de verovering van grote delen van Zuid-Amerika. Maar ik heb dezelfde kritiek op deze school die ik heb op Marx’ benadering: het negeren van de rol die de reconstructie van reproductieve arbeid heeft gespeeld in de kapitalistische ‘take off’. Hun analyse van de manier waarop de scheiding van de boerenstand van toegang tot land een noodzakelijke voorwaarde was voor het bestaan van kapitalistische verhoudingen is correct, maar ze hebben andere cruciale zaken buiten beschouwing gelaten. Ik bedoel met name het loskoppelen van de productie en de reproductie, de devaluatie van reproductieve arbeid, haar inperking tot een schijnbaar niet-economische sfeer, met als gevolg de devaluatie van de positie van vrouwen die met de komst van het kapitalisme het meest gedoemd waren tot dit werk. Net als Marx heeft Brenner de heksenjachten van de zestiende en zeventiende eeuw niet meegenomen in zijn analyse van de impact van kapitalistische ontwikkeling op agrarische verhoudingen, en ik denk dat dat een grote vergissing is.

De beweging Wages for Housework heeft voor een epistemologische sprong gezorgd in de feministische en marxistische theorie door te wijzen op de dialectiek van de markt en het huishouden. Is het volgens u mogelijk om een accumulatie van meerproduct te bereiken, of zelfs maar een stabilisering van de markt, zonder de onbetaalde huishoudelijke arbeid van vrouwen toe te eigenen? Kan u ingaan op de verschillen en overeenkomsten tussen het WfH debat over huishoudwerk en de feministische “unitaire” theorie (in de lijn van Lise Vogel, Sue Ferguson, Cinzia Arruzza, etc.) als we het hebben over de relatie tussen kapitalisme en patriarchaat?

Nee, ik denk niet dat het mogelijk is [‘accumulatie van meerproduct te bereiken, of zelfs maar een stabilisering van de markt, zonder de onbetaalde huishoudelijke arbeid van vrouwen toe te eigenen’], want de onbetaalde arbeid van vrouwen, die tot op heden blijft bestaan, is de voorwaarde voor de devalorisatie van de arbeidskracht. Zonder dat werk zou de kapitalistische klasse enorm hebben moeten investeren in alle infrastructuur die nodig is om arbeidskracht te reproduceren. Dat zou de mate van accumulatie ernstig aangetast hebben. Er is ook een politieke dimensie die speelt bij de devalorisatie en de daaruitvolgende naturalisatie van reproductieve arbeid. Het heeft namelijk de materiële basis gevormd voor een hiërarchie van arbeid die mannen en vrouwen verdeelt, en die het mogelijk maakt dat het kapitaal de uitbuiting van het werk van vrouwen efficiënter kan controleren door middel van het huwelijk en de echtelijke relatie – de ideologie van de romantische liefde inbegrepen – en mannen kan paaien door hen een huishoudhulp te geven over wie ze macht kunnen uitoefenen.

Ik heb het werk van Sue Ferguson en Cinzia Arruzza niet gelezen. Wat Lisa Vogel betreft, sommige van de krachtlijnen die de basis van haar theorie vormen zijn overgenomen uit het werk van Dalla Costa en James. Zij kwamen al tot een unitaire theorie door te vertrekken van een definiëring van de sociale functie van vrouwen als onbetaalde (re)productie van arbeidskracht, om te komen tot een uitleg over de reconstructie van partriarchale verhoudingen onder het kapitalisme. Het punt waarop Dalla Costa en mezelf volgens mij afwijken van Vogel is de opvatting over het socialisme als een bevrijdend systeem. Marx en de marxistisch-socialistische traditie bekijken de kapitalistische ontwikkeling met een optimistische blik omdat ze de noodzakelijke voorwaarden schept om uiteindelijk te komen tot een samenleving zonder uitbuiting.

Ik ben momenteel aan het schrijven in Mexico nadat ik de voorbije maanden door verschillende Latijns-Amerikaanse landen heb gereisd. Ik werd er overal geconfronteerd met lokale gemeenschappen die dreigen vernietigd te worden door bedrijven actief in de mijnbouw en de agrobusiness, de sectoren die vandaag bij uitstek de kapitalistische ontwikkeling leiden. Wanneer ik voor mezelf spreek, mijn werk en mijn perspectief, dan moet ik zeggen dat ik zeker zaken geleerd heb van Marx en dat ik zijn werk blijf gebruiken, maar dat ik vandaag minder geneigd ben aan een ‘unitaire theorie’ te spijkeren zoals bij Vogel het geval was, tenzij marxisten bereid zijn om hun vooringenomenheid met betrekking tot ontwikkeling, die tot nu toe zo’n wezenlijk onderdeel was van hun theorie en politiek, te laten varen. De kapitalistische ontwikkeling is dood, dat zie je overal, van de rurale gebieden tot de stedelijke sloppenwijken, in een wereld waar een proces van verder groeiende ‘verslopping’ bezig is…en de uitdaging vandaag is: hoe een alternatief op te bouwen?

In Enduring Western Civilization, een boek dat u hebt geschreven, onderschrijft u het standpunt dat de consolidatie van het westen als overheersende norm samenging met een proces van uitsluiting van de “ander” – op vlak van sekse, gender, ethniciteit, religie en “ras”. Dat proces van uitsluiting is een van de factoren die nauw in verband stonden met de totstandkoming van verwesterde analytische categorieën waarmee we de wereld waarnemen en die ook een impact hadden op de sociale wetenschappen en de concepten die binnen die discipline worden gebruikt om de sociale werkelijkheid te vatten. Vivek Chibber – in een poging tot deconstructie van de postkoloniale theorie als radicale kritiek op de westerse canon – werkte in zijn laatste boek Postcolonial Theory and the Specter of Capital een bestendige verdediging uit van theoretische benaderingen die de nadruk leggen op universele categorieën zoals kapitalisme en klasse. Zijn werk is met andere woorden een pleidooi voor de blijvende relevantie van het marxisme in het licht van enkele zeer vlijmende kritieken erop. Wat denkt u van dat soort redeneringen, en hoe staat u meer algemeen ten opzichte van het gebruik van universele categorieën voor de kritiek van het kapitalisme zoals in zijn studie wordt betoogd? Is er een evenwicht mogelijk tussen de twee (een kritiek van de westerse wereld én het gebruik van een analytisch repertoire dat een afgeleide is van die westerse wereld) of zijn ze wederzijds exclusief?

Nogmaals, ik voel me er ongemakkelijk bij om commentaar te geven op werken die ik niet gelezen heb of al een hele tijd niet meer geraadpleegd heb. Ik zal me dus beperken tot enkele opmerkingen over het concept van het ‘Westen’ en de veronderstelde nood aan universele categorieën. Zoals ik samen met anderen heb aangetoond in Enduring Western Civilization zijn de begrippen ‘het Westen’ en ‘westers’ een product van de koude oorlog, toen ze in de nasleep van de bolsjewistische revolutie de betekenis kregen van ‘kapitalistisch’, ‘industrieel/technologisch ontwikkeld’, ‘innovatief’ etcetera, terwijl het communisme werd geracialiseerd, als ‘Aziatisch’ werd gezien, en de lading kreeg van ‘achterlijk en niet in staat om te ontwikkelen’. Omwille van die reden gebruik ik de term ‘westers’ niet, ook omdat het woord de klasseverhoudingen, verschillen en tegenstellingen binnen Europa en de VS (het zogenaamde Westen) verbergt, net zoals dat het geval is voor de tegenstellingen binnen regio’s zoals Afrika en Zuid-Amerika. Het gaat om politieke begrippen, inhoudelijk niet verdedigbaar, en bedoeld om globale politieke verhoudingen voor te stellen als het resultaat van tegengestelde werelden binnen dewelke verdeling noch hiërarchie aanwezig zijn en het zogezegde gemeenschappelijk belang heerst.

Met betrekking tot de universele categorieën kan ik zeggen dat we natuurlijk een zeker mate van abstractie in onze analyses nodig hebben, maar dat we het kapitalisme en de geschiedenis van de geglobaliseerde economie onmogelijk kunnen begrijpen zonder deze te bestuderen vanuit het perspectief van verschillende posities. Het idee van een universeel perspectief is bankroet in een samenleving die het product is van door de eeuwen heen gevestigde hiërarchieën en bijgevolg extreem uiteenlopende ervaringen. Het kapitalisme kan niet in zijn totaliteit begrepen worden als we het niet net zozeer benaderen vanuit het perspectief van de slaven en van de gekoloniseerden als vanuit het perspectief van de fabrieksarbeiders. Vanuit het standpunt van beide mannen en vrouwen uit de proletarische klasse; en ik zou er ook aan toevoegen: vanuit het standpunt van kinderen, en vanuit het ecologisch perspectief.

Hoe kijkt u naar de huidige situatie met de vluchtelingen en wat denkt u van de nieuwe golf van nationalistische ideologieën die we in Europa en andere delen van de wereld zien? Hoe gaan we deze tendenzen best te lijf?

Het is onmogelijk om met enkele woorden uitdrukking te geven aan de pijn en de verontwaardiging die ik voel wanneer ik zie hoe regeringen en zoveel Europeanen omgaan met mensen die op de vlucht zijn voor oorlogen die door diezelfde regeringen gefinancierd werden. Het is zeer angstaanjagend te zien dat er al jaren bijna wekelijks bootjes met vluchtelingen vergaan, dat er al duizenden mensen zijn gestorven en de Middellandse Zee dus een groot kerkhof is geworden, en dat dat allemaal gaande is vlak voor onze ogen, niet weggestoken in concentratiekampen – om het nog niet te hebben over de ‘opvangcentra’, gevangenissen waarin diegenen zonder papieren opgesloten worden en voor onbepaalde duur in ellendige omstandigheden worden vastgehouden.

Het is natuurlijk betreurenswaardig dat de reactie van veel mensen, ook van arbeiders, er een is van afwijzing, vervolging en nationalistische stellingname, en niet van solidariteit. Dat is zorgwekkend, omdat het vaak neerkomt op een oorlog tussen armen onderling, in die zin dat diegenen die muren en grenzen willen oprichten in vele gevallen mensen zijn die zelf bezig zijn met te knokken om te overleven en denken dat ze zichzelf kunnen beschermen met een politiek van uitsluiting, en niet door solidariteit met de vluchtelingen. Ik wil nog zeggen dat we meer te weten moeten komen over de neonazi’s die vluchtelingen aanvallen, bijvoorbeeld in Duitsland, aangezien er aanwijzingen zijn in de richting van medeplichtigheid van autoriteiten en politie. We zouden de groeiende manifestatie van neonazi’s misschien wel kunnen beschouwen als een instrument om controle te verwerven over vluchtelingen en hun potentiële nut als goedkope arbeidskracht zolang ze aanvaarden om onderaan de sociale ladder te blijven.

Er zijn een aantal interessante recente ontwikkelingen in de westerse wereld, zoals de kandidatuur van Bernie Sanders voor de Democratische Partij, de verkiezing van Jeremy Corbyn voor het voorzitterschap van de Labour Party, de overwinning van Syriza in de recente Griekse verkiezingen en de opkomst van Podemos in Spanje. Ontwaart u enige hoop op slaagkansen voor deze ontwikkelingen om voor een significante sociale transformatie te kunnen zorgen? Zou links vandaag zich moeten organiseren volgens de strategie om dergelijke sociale posities van de staat te “bezetten” of zou het moeten inzetten op zelforganisatie buiten de formele partijpolitiek om, op andere spontaneïstische en politieke niveaus (bijvoorbeeld in de strijd om de commons)?

Dat is geen gemakkelijk te beantwoorden vraag. We hebben tot grote verrassing van velen net vernomen dat de zapatisten willen deelnemen aan de presidentsverkiezingen van 2018, met een vrouwelijke inheemse kandidaat. Het lijkt erop dat dat niet betekent dat ze hun politiek hebben omgegooid, maar wel dat ze zodanig opgejut worden dat ze dan maar op deze manier proberen de impasse te doorbreken en grotere delen van de bevolking bewust te maken van de massale en gewelddadige aanvallen waar ze mee te maken hebben sinds de dood van Galeano. Dit gezegd zijnde, we kunnen vaststellen dat linkse regeringen, en bij uitbreiding de hele progressieve zijde van zowel Europa als Latijns-Amerika, in diepe crisis verkeren. Slechts weinigen hebben in Brazilië gemobiliseerd om de terugkomst van Dilma Roussef te eisen, ook al hebben velen haar afzetting veroordeeld als een onwetmatig manoeuvre, om niet te zeggen een coup. In het beste geval hebben progressieve regimes bereikt dat ze de meest extreme uitwassen van armoede hebben verlicht, maar er is geen verandering gebracht in de productiewijze, geen implementatie gekomen van de hervorming geëist door de sociale bewegingen die hen aan de macht hielpen, en geen beteugeling bewerkstelligd van het geweld van leger en politie. Misschien kunnen we een ander verhaal neerzetten over het Chavisme, aangezien het meer respect opbracht voor de macht van het volk, maar het steunde eveneens op een extractivistische politiek die het land afhankelijk heeft gemaakt van de ups en downs van de olieprijzen. En wat te zeggen van Bernie Sanders die maandenlang aan zijn volgers heeft zitten uitleggen waarom ze niet voor Clinton zouden moeten stemmen en vervolgens verkondigt dat het de enige uitweg is? Een flinke les in cynisme.

Ik zou de politiek van de commons niet “spontaneïstisch” noemen. Er zijn in de wereld vele ‘gemeenschapsregimes’ (community regimes) die al een geschiedenis van honderden jaren hebben. Op vele plekken in de wereld is het verdedigen van commons, en de confrontatie met het geweld van (para)militaire groepen en veiligheidsagenten van bedrijven, overigens bezwaarlijk spontaan te noemen. Natuurlijk moeten we in deze niet dogmatisch zijn. Op lokaal niveau is het vaak mogelijk om een zekere invloed uit te oefenen op overheden. Maar wat we zien gebeuren is dat de echte beslissingscentra steeds verder buiten het bereik van de bevolking komen te liggen. We zijn ook getuige van de totstandkoming van internationale machtsstructuren die voortdurend de macht van de natiestaat doorkruisen, zoals het geval is met de EU.

Bovenop de inmenging van het IMF en de Werldbank in de politiek van staten – hoofdzakelijk maar niet exclusief in de derde wereld – zien we een proliferatie van vrijhandelsakkoorden zoals TTP en TTIP (gelukkig nog niet ondertekend) die de directe machtsuitoefening van het kapitaal over de globale economie consolideren. Dat zou ervoor zorgen dat er geen beslissing inzake economisch beleid doorgevoerd kan worden als deze niet goedgekeurd wordt door de grote ondernemingen. De nationale soevereiniteit wordt met andere woorden uitgeschakeld. Hoe kan je onder deze omstandigheden optimistisch zijn over het aan de macht komen van linkse/radicale regeringen?

Bij het begin van de eenentwintigste eeuw spoelde er een golf van verandering doorheen Latijns-Amerika, waarbij neoliberale tweepartijenstelsels werden weggeveegd, en de oproep om de staat te hereiken op breedgedragen participatie en een democratisch opgestelde grondwet luid weerklonk. Een cruciaal aspect van deze progressieve politieke realiteit was de opkomst van nieuwe sociale bewegingen die zowel sociaal-politieke als economische rechten opeisten. Er zijn echter spanningen gerezen met betrekking tot die twee dimensies, in de meeste gevallen omwille van de ontwikkelingsmodellen die de regeringen implementeren. De meeste leiders van deze staten, in het bijzonder Correa in Ecuador en Morales in Bolivië, benadrukten de bezorgdheid om “Pachamama’ (‘Moeder Aarde’) en namen de taal over van “het socialisme van de eenentwintigste eeuw” dat door de Venezolaanse president Chávez (en momenteel door zijn opvolger Nicolas Maduro) werd gepromoveerd. In de praktijk echter ondermijnden deze leiders met hun beleid de eisen van de sociale bewegingen, bijvoorbeeld door natuurlijke rijkdommen te privatiseren. Gelooft u dat deze spanningen op te lossen vallen op een manier die de belangen van de Latijns-Amerikaanse werkende klassen zal dienen?

Ik bezocht Ecuador in april van dit jaar en had er vele ontmoetingen met groepen van vrouwen en ecologisten. Hun bevindingen waren unaniem. Waarom, zo vragen die mensen, noemt de linkerzijde in Europa of de VS Correa radicaal, wanneer zijn politiek volledig met het neoliberalisme spoort? Gegeven dat Correa, meer dan elke voorgaande regering, een aanval richt op het land van de inheemse groepen en bovendien een diepgaand misprijzen voor vrouwen tentoonspreidt in zijn dagelijkse beleidvoering, waarom? Toen hij dankzij een beweging van inheemse bevolkingsgroepen aan de macht kwam, heeft Correa in de grondwet het principe verankerd dat ook de natuur haar rechten heeft. Hij leek op het eerste zicht vastberaden te zijn om de oliereserves niet te gaan exploiteren. Maar hij is intussen van gedachten veranderd en promoot nu buitenlandse investeringen en het boren naar petroleum in het gebied van de Yasuni. Het mag geen verrassing wezen dat hij meermaals op ramkoers heeft gezeten met dezelfde inheemse bevolkingsgroepen die hem in eerste instantie steun hadden verleend. Zijn beleid wordt door grote delen van de bevolking veroordeeld als zijnde denigrerend voor bewegingen van onderuit, autoritair, en voordelig voor de machtspositie van de grote ondernemingen. Ook Evo Morales heeft het over Pachamama wanneer hij in het buitenland spreekt, maar hij voert een gelijkaardige extractivistische politiek die niet enkel verwoestend is voor gronden, wouden en rivieren, maar daarbij ook een binnenlandse versie van kolonialisme creëert. Dat wil niet zeggen dat er geen groepen van de werkende klasse bestaan die zijn beleid steunen. Het extractivisme verzekert sommigen van hen immers van looninkomsten, weliswaar ten koste van de vernietiging van het levensonderhoud van vele anderen. Je ziet zoiets ook gebeuren in een heel aantal gemeenschappen in de VS waar jonge arbeiders voorstander zijn van fracking.

Ik moet zeggen dat er een grote kloof gaapt tussen de schets die radicale denkers in Latijns-Amerika – zoals Luis Tapia, Raul Zibechi, Raquel Gutierrez Silvia Rivera Cusicanqui, en vele anderen – van deze regeringen maken, en het beeld dat leeft bij nogal wat linkse mensen in de VS en Europa.

 

Interview werd afgenomen door George Souvlis en Ankica Čakardić en werd gepubliceerd op Salvage.com. Vertaling: Hanne Provoost

http://salvage.zone/online-exclusive/feminism-and-social-reproduction-an-interview-with-silvia-federici/

 

George Souvlis is a doctoral candidate in history at the European University Institute in Florence and a freelance writer for various progressive magazines including Salvage, Jacobin, ROAR and Lefteast.

Ankica Čakardić is an assistant professor at the Department of Philosophy, University of Zagreb. She coordinates educational programmes at the Centre for Women’s Studies in Zagreb, is a member of The Organisation for Workers Initiative and Democratisation, Croatia, Women’s Front for Labour and Social Rights and the Feminist-Marxist reading group FemFront.

 

 

 

 

 

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*