In memoriam André Mommen

JELLE VERSIEREN, GUY QUINTELIER, ROBERT CRIVIT en JAN DUMOLYN

Op 12 mei 2017 ontviel ons de marxistische politieke wetenschapper André Mommen. Doorheen zijn rijk gevulde carrière heeft hij een grote betekenis gehad als geëngageerde progressieve intellectueel. Tegelijk verdwijnt eind dit jaar ook het Vlaams Marxistisch Tijdschrift, waarvan André jarenlang hoofdredacteur was. In een zekere zin wordt hiermee een tijdperk afgesloten voor het linkse intellectuele denken in Vlaanderen. Vandaar deze terugblik op zijn leven en werk.

André werd op 21 februari 1945 geboren in Rekem bij Lanaken. Hij studeerde politieke wetenschappen aan de Nederlandstalige afdeling van de Université Libre de Bruxelles (ULB), die in 1969 opsplitste in de VUB en ULB. Zijn licentiaatsverhandeling uit 1969 ging over De erkenning van de Sovjet-Unie door België. In datzelfde jaar 1969 ging André Mommen in Nederland aan de slag als vormingswerker bij het Vormingswerk Jongvolwassenen. “De behoefte om vooral op praktisch vlak politiek actief te zijn, lokte mij naar het VJV. Het VJV was een organisatie in volle opbouw en alles leek mij nog mogelijk, ook de omvorming van het VJV in een gepolitiseerde vormingswerkorganisatie.1 Dat werden dus enkele roerige jaren. Maar ook na zijn vertrek bij het VJV, in 1971, bleef hij in contact met vormingswerkers daar. De gesprekken over vormingsmethodiek resulteerden in het boek De strategie van het politiserend vormingswerk. Een marxistische analyse (1979), in de eerste plaats bedoeld voor studenten en docenten sociaal werk. Midden de jaren 1970 was Mommen trouwens zelf deeltijds docent aan de Katholieke Sociale Academie in Den Haag en aan het Hoger Instituut voor Sociaal-Kultureel Werk in Anderlecht. Dat combineerde hij met onderzoekswerk aan de VUB bij de legendarische marxistische historicus en politicoloog Marcel Liebman. In 1976 leverde hij zijn doctoraatsthesis af over de heterogene ideologische achtergrond van de vroege Belgische Werkliedenpartij. Na het behalen van zijn doctorstitel werd hij aangesteld aan de Universiteit van Amsterdam. Op latere leeftijd was hij tevens als gastprofessor verbonden aan Universiteit van Aix-Marseille. In Vlaanderen was André vooral bekend als hoofdredacteur van het Vlaams Marxistisch Tijdschrift, waarvan hij de laatste 17 jaar samen met Guy Quintelier de sterkhouder was.

André was een polyglot. Hij beheerste zowel op een uitmuntende wijze de Nederlandse taal, maar ook het Engels, Frans, Duits, en een beetje Spaans en Russisch, en hij las misschien ook wel wat Hongaars.

‘Jij sprak Nederlands, Frans, Engels, Duits en een beetje Spaans en Russisch, heb ik er een gemist? Tegenwoordig leer ik Portugees − je zei nog “dat leer je zo”.’

(Zijn zoon Brecht in zijn afscheidswoorden op de uitvaartplechtigheid van zijn vader André Mommen)

Hij bestreek veel meer onderzoeksvelden dan een gewone politicoloog. Meer dan bij de huidige generatie sociale wetenschappers had hij ook een sterk historisch inzicht. Zijn verklaringen van politieke fenomenen waren altijd gebed in een diachronisch kader waarbij hij bleek te excelleren zowel in de sociale, economische als in de politieke geschiedenis van de moderne tijd. Daarenboven beheerste hij ook de economische wetenschappen en schreef hij veelvuldig over de internationale politieke economie.

André was een veelschrijver 2: hij schreef honderden, ja zelfs meer dan duizend bijdragen voor verschillende progressieve tijdschriften, o.a. in De Nieuwe en het Tijdschrift voor Diplomatie − wat op concreet-politiek vlak misschien nog belangrijker was dan zijn wetenschappelijk werk. De jongste jaren verschenen veel van die bijdragen ook op diverse websites waar ze – soms ongevraagd – werden opgeladen.

In de vermelde ‘populaire’ tijdschriften schreef Mommen bijvoorbeeld ook over Bob Dylan, waarvan hij een grote fan was. Op zijn facebookpagina stond Leonard Cohen als zijn lievelingszanger vermeld. Hij hield ook enorm van klassieke muziek. Nog niet zo lang geleden zei hij dat Ludwig van Beethoven zijn favoriete componist was.

“Jij gaat vanavond toch niet naar ketelmuziek luisteren!”

(zo drukt André Mommen zich ooit ‘vermanend’ uit tegenover Guy Quintelier)

Ook was hij zeer onder de indruk van de Russische liederentraditie.

België en het socialisme

In Vlaanderen zou André op academisch vlak in de eerste plaats bekend worden omwille van zijn bijdragen over de geschiedenis van het Belgisch socialisme en de Belgische staatsvorming. In 1980 publiceerde het Masereelfonds zijn doctoraal proefschrift onder de titel De Belgische Werkliedenpartij 1880-1914. Het belang van de BWP en haar geschiedenis kon niet overschat worden: “Eind 19de eeuw was de BWP de partij geworden van de gehele arbeidersklasse … maar binnen de beweging zelf waren de militanten afkomstig uit de ambachtelijke arbeidersgroepen degenen die de boventoon voerden. De ambachtelijke arbeiders bleken de politieke woordvoerders van het proletariaat te zijn … De partij was zelf het resultaat van de aktiviteit van de massa en werd in stand gehouden door de samenvoeging van een groot aantal individuele inspanningen van de arbeidersmilitanten.” Hiermee werd André onmiddellijk een autoriteit ter zake. Zijn werk over de geschiedenis van de arbeidersbeweging kan zich zonder twijfel meten met de geschriften van Jan Dhondt, Janet Polasky, Jan Craeybeckx, Mieke Claeys-Van Haegendoren, Gita Deneckere, Jaak Brepoels of Alain Meynen. Al eind jaren 1970 schreef Mommen dat het opmerkelijk was dat Vlaamse academici dit onderwerp grotendeels onaangeroerd lieten. Ons land kan zich beroepen op een unieke en rijke geschiedenis van de moderne arbeidersbeweging, maar de thematiek wordt door onze eigen historici in feite stiefmoederlijk behandeld. En tot voor kort was er ook maar weinig animo om de louter feitelijke geschiedenis te overstijgen. André beklaagde zich er soms over dat de archivalische bronnen grotendeels onaangeroerd bleven.

Niet alleen de geschiedenis van de Belgische arbeidersbeweging kreeg volgens Mommen niet de aandacht die ze verdiende. Standaardwerken over de vooroorlogse Belgische staatsvorming waren ook zo goed als onbestaande. Dus schreef Mommen in 1982 opnieuw een klassieker: De teloorgang van de Belgische bourgeoisie. In dit werk ontbond hij al zijn interdisciplinaire duivels. Het boek was een combinatie van structurele en empirische historiografie. André hanteerde een pretentieloze onderbouw-bovenbouwmethode om de creatie van de hegemonie van de Belgische bourgeoisie te verklaren. Op meesterlijke wijze bracht hij structurele en conjuncturele factoren samen, zonder de concrete gebeurtenissen uit het oog te verliezen samen. Zo slaagde hij erin breukmomenten en langetermijnevoluties in kaart te brengen. Het werk liet geen factor onbelicht. Mommen ontwierp een structurele totaliteit waarin economische, politieke, religieuze, taalkundige, ideologische en sociale elementen in contradictorisch samenspel de sociale vorm van de Belgische staat determineerden. Omwille van zijn verklaringskracht heeft het boek een unieke status binnen de Belgische politieke historiografie.

In de jaren 1980 zou Mommen zich steeds meer toespitsen op de Belgische maatschappelijke ontwikkelingen tijdens de twintigste eeuw. Hij publiceerde enkele invloedrijke bijdragen over de crisis van de jaren 1970 en de opkomst van het Belgisch neoliberalisme in de jaren 1980. Het neoliberalisme kwam tot stand tijdens een economische en politieke crisis in tijden van aanhoudende stagflatie. Voor Mommen was het bovendien belangrijk om te onderstrepen dat ook internationale politiek-economische factoren een hoofdrol speelden. Hij besteedde ook bijzonder veel aandacht aan het feit dat de regeringen-Martens het sociale middenveld buiten spel zetten en een politiek proces van machtsconcentratie bij de uitvoerende macht versterkten. In 1982 redigeerde hij samen met journalist Wilfried Bossier het boek Linkse visies op de krisis. Academici en politieke figuren van verschillende gezindheden sloegen de handen in elkaar om op een bevattelijke manier de lange crisis van de jaren 1970 te verklaren. André verzorgde samen met Wilfried Bossier niet alleen het voorwoord, maar ook een bijdrage: “De anatomie van de crisis”. Daarbij schreef hij in deze bundel enkel in eigen naam ook nog “De ekonomische krisis en het socialistisch alternatief”. Het boek, met verder ook nog bijdragen van Ernest Mandel, Leo Michielsen, Jo Cottenier, Norbert De Batselier, Jan Verschooten en Geert Dancet (namens Polekar), Ludo Cuyvers en Rudolf Boehm, werd gretig aangehaald in Vlaamse progressieve kringen.

Mommen schreef ook een kort stuk over de transformatie van de Belgische economie. Hierin ontwikkelde hij de stelling dat uit de crisis van de jaren ’70 bleek dat het multinationale kapitaal zowel de lokale ondernemers als de Belgische bourgeoisie in een ondergeschikte economische positie stelde. Ook werd duidelijk dat de Belgische staat aan inkomstenzijde langzaam maar zeker doodbloedde door het rentenierskapitaal fiscaal te ontzien. Dit had nefaste gevolgen voor zowel de naoorlogse sociale welvaartsstaat, de industriële politiek als het neocorporatief overlegmodel. In 1987 bracht Mommen Een tunnel zonder einde. Het neo-liberalisme van Martens V en VI uit om verder de besparingspolitiek van de regeringen Martens wetenschappelijk economisch te duiden. In 1994 publiceerde hij bovendien het internationaal standaardwerk The Belgian Economy in the Twentieth Century dat een synthese was van twee decennia onderzoek. Het blijft zowat het enige Engelstalige naslagwerk over de Belgische ‘lange’ twintigste eeuw waarin de economische opkomst en verval van een Belgische kapitalistische bovenlaag een centrale rol speelt.

Mondialisering, Sovjet-Unie en Poetin

Ook in de twee laatste decennia van de twintigste eeuw zou André nieuwe onderzoeksonderwerpen aanboren. Hij trad op als redacteur van twee internationale boekwerken – Liberalization in the Developing World (1996) en Regionalization and Globalization in the Modern World Economy (1998) − over de impact van de globalisering op regionale economieën vanuit het politiek-economische perspectief van de wereldmarkt. In de hoofdstukken van zijn eigen hand legde Mommen de nadruk op de impact van de neoliberalisering van de internationale handel, de stijgende schuldgraad en privatiseringsgolf in derdewereldlanden en de noodlottige invloed van het IMF en de Wereldbank.

Een tweede onderwerp was de Val van de Muur. Voor het Nederlandstalige Belgische publiek was hij redacteur van het boek 10 jaar na de Val van de Muur (2000), uitgegeven door het Instituut voor Marxistische Vorming (IMAVO). In dit boek schreef hij vanuit een historisch-materialistische invalshoek een korte synthese over de economische en politieke redenen voor het verdwijnen van de Sovjet-Unie. Allereerst was het een crisis van een intensief groeimodel gekenmerkt door een oneven ontwikkeling tussen kapitaal- en consumptiegoederen. Hierbij waren hogere productiekosten, problemen met distributie en technologische stagnatie de centrale factoren. Ten tweede bleek op politiek niveau dat de bureaucratie en de technocraten het fundamenteel oneens waren over het vraagstuk van economische centralisatie en decentralisatie. Ten derde was er volgens Mommen geen afdoende antwoord gekomen op de vraag hoe de oneven ontwikkeling tussen regio’s en staten binnen de COMECON kon worden opgelost. Deze structurele problemen kwamen in een stroomversnelling toen de Sovjet-Unie kreunde onder de oliecrisis en de schaarste aan buitenlandse valuta binnen een context van oplopende buitenlandse schuld. In de jaren 1980 bleek een intern politiek gevecht tussen verschillende partijfacties over markthervormingen en institutionele vernieuwing de doodsteek te hebben gegeven aan de USSR: “Alle perestrojka ten spijt verdween de USSR in een complete chaos van halve economische hervormingen, politieke dijkdoorbraken en nationale tegenstellingenDeze politieke omwenteling werd begeleid door een afbraak van de communistische instellingen en een breed privatiseringsprogramma dat zowel het sociale bezit van de productiemiddelen als van het onroerend goed betrof.

In de jaren 1990 en 2000 zou Mommen zich dan ook focussen op de economische en politieke gevolgen van deze instabiele transitie naar het kapitalisme. Hij werd beschouwd als een gerenommeerd specialist op talrijke internationale congressen over de internationale economische en politieke positie van Rusland en de ex-Oostbloklanden. Poetin en de China-Rusland-relaties werden door hem uitvoerig geanalyseerd. In 2013 was hij, samen met Andrey Makarychev (Universiteit van Tartu, Estland) mederedacteur van het boek Russia’s Changing Economic and Political Regimes met een sterke nadruk op de politieke en economische betekenis van het Poetinisme. Een videopresentatie van het boek, met André ook aan het woord, vindt men op www.uttv.ee (“Presentation of a new book on Russia’s changing economic and political regimes”).

Een derde onderwerp was de intellectuele geschiedenis van het economische denken in de Sovjet-Unie. Meer specifiek schreef hij twee boekwerken en talrijke internationale bijdragen over de Hongaarse econoom Jenö (Eugen) Varga. In de jaren 1930 en 1940 was Varga de kroonprins onder de sovjeteconomen. Varga was in zijn wetenschappelijke bijdragen bijzonder creatief in de intellectuele vertaalslag van de directieven van het Kremlin. In vergelijking met Boekharin of Preobrazhensky woog Varga duidelijk minder binnen de ideologische propaganda die gericht was naar de ‘gewone mensen’. Via zijn onderzoeksinstituut in Moskou was hij wel de meest invloedrijke economenstem over het stalinistische beleid, internationale economische relaties en de sovjetinterpretatie van het denken van Marx. Varga was ervan overtuigd dat de crisis van 1929 onoplosbaar was wegens een structureel koopkrachttekort bij de werkende klasse. Bovendien was Varga de intellectuele vader van het begrip van staatsmonopoliekapitalisme dat in de jaren 1950 en 1960 in de Sovjet-Unie werd gelanceerd en ook dan de officiële leerstelling van Westerse communistische partijintellectuelen werd. Mommen schreef eerst een Nederlandstalig werk over de man met als titel Eens komt de grote crisis van het kapitalisme. Leven en werk van Jenö Varga (2002).

André stelde me voor dit boek, waarvan ik de taal en het tikwerk verbeterde en het eindredactiewerk deed, verschillende titels voor. Ik mocht daaruit zelf kiezen. Deze titel én ondertitel kwam volgens mij het meeste met de inhoud overeen, en was nog enigszins catchy. Als later bleek dat dit werk geen groot verkoopsucces was, weet André dat aan ‘mijn’ titelkeuze.

(Guy Quintelier)

De interesse over een econoom zoals Varga zal bij het Vlaamse publiek uiteraard niet al te groot zijn geweest. Mommen vulde zijn initieel werk dan ook aan met nieuw archivalisch onderzoekswerk en herschreef het − maar nu in het Engels − voor een internationaal academisch publiek met de titel Stalin’s Economist (2011). Mommen toonde zich hierin een expert op vlak van de geschiedenis van het stalinisme en economische macro-theorieën. Het werk staat nu reeds bekend als een klassieker, niet in het minste omdat hij uitvoerig onderzoek verrichtte in Hongaarse en Russische archieven. In zijn laatste levensjaren schreef hij nog enkele interessante conferentiebijdragen over de conceptuele verhouding tussen sovjeteconomen, over John Maynard Keynes en Hendrik de Man. Over De Man gaf hij in Vlaanderen ook voordrachten, die door de Vereniging Hendrik de Man niet in dank werden afgenomen. André bekritiseerde Hendrik de Man omdat deze, in zijn ogen, te veel samenspande met het nationaalsocialistisch Duitsland vóór en tijdens de Tweede Wereldoorlog.

De publieke intellectueel

André Mommen was in het internationale academische veld een veelgelezen man. Maar ook Vlaanderen bleef hem niet onberoerd. Uit de elektronische rouwbetuigingen bij zijn overlijden blijkt zelfs dat hij zich ook in zijn wijzigende woonplaatsen lokaal politiek engageerde. Hij was als wetenschapper een marxist. En als politiek commentator iemand die links van de sociaaldemocratie stond, zonder daarbij de Amada- of PVDA-standpunten aan te nemen, noch die van de SAP of enige andere bestaande trotskistische of kleinlinkse vereniging. Ook zijn kritiek op de huidige politieke lijn van de ‘gedestaliniseerde’ PVDA bleef scherp. Daar getuigen verschillende bijdragen in het VMT over. De laatste decennia was André trouwens bijzonder kritisch, vaak met een bijtende spot, over alle mogelijke radicaal-linkse organisaties in binnen- en buitenland, en ook de andersglobalistische beweging van begin jaren 2000 vond hij maar niets.

Vóór de val van de Muur, in de jaren 1980 was Mommen daarentegen wel een van de talrijke linkse intellectuelen geweest die zich inzette voor het eurocommunisme binnen de context van een vernieuwingsproject aan de Vlaamse zijde van de Kommunistische Partij. Toen de KPB als een unitaire politieke partij ophield, zetten Ludo Abicht, Willy Courteaux, Leo Michielsen en Jef Turf zich in voor de uitbouw van een politiek netwerk dat als doel had te wegen op het publieke debat vanuit een open en kritisch marxisme. Het Vlaams Marxistisch Tijdschrift werd hierbij het speerpunt van intellectuele vernieuwing, of dat was toch de bedoeling.

In 1966 zag het Vlaams Marxistisch Tijdschrift het daglicht. Initieel was het blad opgericht binnen de schoot van de KPB te Gent. Het blad werd om drie hoofdredenen opgestart. Allereerst was er een schrijnend gebrek aan een communistische debatcultuur. In Vlaanderen was de partij afhankelijk van de import van boeken uit de Sovjet-Unie. Daarnaast werd de lijn bepaald door intellectuele invalshoeken die in andere landen eerder al ontstaan waren. De gehele golf van het existentialisme of marxistisch humanisme kwam daarbij wel weinig aan bod. Men dacht door zogezegd naar Marx en zijn volgelingen te verwijzen – zonder hun werk zelf echt gelezen te hebben; men bleef steken bij het handboekmarxisme – de absolute waarheid in pacht te hebben. Ten tweede kreeg de partij, ondanks verschillende toenaderingspogingen, weinig voeling met het nieuw-linkse studentenmilieu. Volgens Jef Turf speelde de Gentse KP-afdeling wel een belangrijke ondersteunende rol bij de studentenrevolte in 1969. Het VMT wou wel een werktuig zijn om in communicatie te treden met de nieuwe generatie. Maar moeilijke teksten waren blijkbaar aan studenten, die al genoeg daarvan in hun cursussen kregen, niet besteed. Ten derde was het predicaat “Vlaams” bewust gekozen. De linkerzijde was toen mede een kracht binnen het debat om de Belgische staat te federaliseren.

Het VMT was in feite nooit een echt groot succes, ondanks alle latere vernieuwingspogingen. Het kwam in het begin als te sterk gebonden aan de partij over. In 1971 richtte de KPB ook de cultuurorganisatie Masereelfonds op als antwoord op het verzuilde cultuurmiddenveld. In 1978 kwam voor beiden een doorstart. Het Masereelfonds onderging een fundamentele transformatie van partijorganisatie tot een onafhankelijk cultuurfonds. En ook het VMT kwam tijdens diezelfde periode van onder de vleugels van de partij. Toen Antoon Roosens de fakkel van Leo Michielsen overnam, trok het Masereelfonds in de jaren 1980 bewust de Vlaamse kaart – ook al was de graag en voornamelijk Franssprekende Frans Masereel moeilijk als flamingant te kenmerken. Het VMT kon toen een nieuwe generatie academici aantrekken. De eersten die de stap naar de redactie hadden gezet, waren Koen Raes, Rudi Van Doorslaer en Ludo Cuyvers met steun van Gentse academici, zoals Leo Apostel, Rudolf Boehm en Jaap Kruithof. In 1980 werd de intussen ook al overleden Gentse moraal- en rechtsfilosoof Koen Raes hoofdredacteur. Nieuwe medewerkers vanaf nu waren o.m. Ruddy Doom, Dirk Van Damme, Magda Michielsens, Ludo Abicht, Jenny Walry, Freddy Mortier, Guy Quintelier en… André Mommen. Maar die periode was van korte duur: het KPB-congres van 1982 zette de eurocommunistische hervorming niet door. Dat betekende een grondige ontgoocheling voor de Gentse intellectuelen en tegen halfweg de jaren 1980 hadden de meesten van hen de partij de rug toegekeerd. Met alle gevolgen van dien voor de kwaliteit en de redactionele organisatie van het VMT.

Pas in 1991, in de stroom van discussies na de Val van de Muur, kreeg het tijdschrift een nieuwe stimulans. De uitgave van het VMT werd nu toevertrouwd aan IMAVO, toen nog “Instituut voor Marxistische Vorming”. Het IMAVO was eind de jaren 1970 opgericht om de kadervorming van de partij te verzorgen, maar in september 1991 besliste de KP – ambitieus − om IMAVO om te vormen tot een “ontmoetings-, studie- en discussieforum voor progressief Vlaanderen”3. En de partijleiding beschouwde de uitgave van het tijdschrift als een van de middelen om dat in de praktijk te brengen.

Journalist en literaire vertaler Willy Courteaux, eveneens recent overleden, werd officieel de nieuwe hoofdredacteur, en Robert Crivit, de nieuwe coördinator van IMAVO, nam als redactiesecretaris het grootste deel van het inhoudelijk werk op. Het VMT publiceerde doelbewust een mix van dieper gravende analyses en duidende bijdragen, enerzijds aansluitend bij de brede actualiteit en anderzijds achtergrondbijdragen. Politieke en sociaaleconomische analyse en duiding, filosofie en historiografie, internationale politiek en geografie, en een stevige boekenrubriek kenmerkte het VMT. Om de debatcultuur te lande aan te zwengelen nodigde de redactie gericht Vlaamse academici en andere analisten of opiniemakers uit om kwalitatieve bijdragen te leveren, zonder de discussies in buitenlandse publicaties uit het oog te verliezen. Aan thema’s geen gebrek: er waren onder meer de ingrijpende gevolgen van de Val van de Muur, de voortschrijdende erosie van de welvaartsstaat, de zich doorzettende globalisering en de verspreide monetaire crises, de strijd tegen extreemrechts, en ja, ook de vraag “welk Vlaanderen” we dan wel wilden (zonder te vervallen in “rechts” nationalisme). Het volgehouden offensieve en open redactionele beleid sorteerde samen met een strakke organisatie voor een aantrekkingskracht op nieuwe, gerenommeerde, al dan niet occasionele medewerkers van uiteenlopende disciplines. Zoals de geografen Chris Kesteloot, Pieter Saey of Henk Meert. Historici als Peter Scholliers, Eric Vanhaute of Alain Meynen. Filosofen als Roger Jacobs, Jef Peeters, Ludo Abicht of Rudolf Boehm. Sociale wetenschappers als Paul Verbraeken of Eric Corijn leverden ook hun bijdrage. In de jaren 1990 was het VMT een van de weinige tijdschriften dat internationale intellectuele debatten in links Vlaanderen trachtte te brengen. Met een gestaag groeiend prestige. En met André Mommen als rots in de redactiebranding, met in elke redactiebijeenkomst vlijmscherpe richtinggevende analyses van de sociaaleconomische en politieke evoluties. Compromisloos. Ongezouten. Geëngageerd maar deskundig en niet partijgebonden. Dikwijls verontrustend en oncomfortabel stemmend. Maar in elk nummer minstens één must read.

Begin 2000 werd Robert Crivit coördinator van de vormingsdienst van Agalev en ook Willy Courteaux nam afscheid als hoofdredacteur. Guy Quintelier nam de coördinerende rol over van Robert Crivit. Na enkele maanden vroeg hij André Mommen om hoofdredacteur te worden. Die eerst nog twijfelde, maar wanneer Quintelier hem wees op de mogelijkheden van de informatietechnologie, meer bepaald e-mails als communicatiemiddel, aanvaardde hij gretig.

“Je moet geen schrik hebben om zonder kopij te vallen. In mijn keuken zal de tikmachine blijven ratelen.”

(André tegen Guy – april 2000)

Mommen werd dus vanaf april 2000 de nieuwe hoofdredacteur terwijl Quintelier zich voornamelijk met het praktische werk en de eindredactie moest bezighouden. Beiden droegen ze ook vaak inhoudelijk bij aan de kolommen van het VMT. De redactionele lijn van Mommen en Quintelier zorgde voor de continuïteit in de kwaliteit van het blad. Zij namen wel bewust afstand van wat zij aanvoelden als de Vlaams-nationale oriëntatie van het blad in de eerdere periodes. Het ‘Vlaams’ in de titel van het VMT werd door hen enkel als een aanduiding van de redactielocatie en niet als ideologische karakterisering van het blad beschouwd − wat betekent trouwens een Vlaams marxisme? Zij brachten ook veranderingen aan het blad. André schreef zo goed als telkens een redactioneel standpunt over maatschappelijke debatten. Hierbij spaarde hij niets of niemand. Met een vlijmscherpe geest – volgens sommigen echter met een overmaat aan cynisme en hardheid: hij ergerde zich namelijk aan de naïviteit en misplaatste pretentie van sommige mensen, waardoor hij soms betweterig overkwam en soms ook was – kon hij op twee bladzijden een politieke analyse maken die voorbij de waan van de dag ging. De kwaliteit van zijn opiniestukken was binnen een gecommercialiseerd medialandschap op zijn minst uniek te noemen. Zijn essays waren telkens door zijn uitstekende pen voldoende toegankelijk voor de geïnteresseerde leek. Maar tegelijkertijd gaf hij een pak achtergrondinformatie mee aan zijn lezers. Mommen kon dankzij zijn internationale contacten ook een pak gerenommeerde namen aanspreken om een stuk voor het VMT te schrijven. Het VMT vormde een unieke brug tussen de steeds meer gesloten academische internationale debatten en de Vlaamse debatcultuur. Tussen experten in internationale tijdschriften en de dagdagelijkse verslaggeving.

“Jan Dumolyn voegde zich in 2000 als voorzitter van de Raad van Beheer van IMAVO bij wat we onderling al lachend noemde: het triumviraat Dumolyn – Mommen – Quintelier”

 (Guy Quintelier)

Mommen moest in de jaren 2000 wel vaststellen dat de oude generatie academici afzwaaiden of uitstierven. Het was − alhoewel niet helemaal − tevergeefs zoeken naar jongelingen om de redactieraad te bemannen. Zeker omdat − met alle begrip daarvoor − de jonge academici uit al of niet terechte carrière-overwegingen natuurlijk liever A1-artikels trachten te publiceren, dan zich te verbranden aan een sterk politiek gekleurde publicatie: het predicaat “marxistisch” had in de hoogdagen van het neoliberalisme een afschrikwekkend effect op vele jonge onderzoekers. Ook stonden de hoge redactionele en tussenmenselijke eisen van André dikwijls een samenwerking in de weg. Hij besefte wel dat een gapende kloof bleef bestaan tussen universiteit en publiek debat. Het academische veld was in sneltreintempo een specialistendiscipline geworden waarbij onderzoekers sterk onder druk kwamen te staan om enkel nog in Engelstalige vaktijdschriften te publiceren en aan iets als het VMT “geen tijd meer konden verspillen”. De banden tussen het VMT en het academische milieu werden na 2000 bijgevolg minder intensief dan voorheen. André nam gretig deel aan debatten en radiogesprekken. Zo bijvoorbeeld ook met Michel Godart van de Cahiers Marxistes, waaruit blijkt dat het Vlaams Marxistisch Tijdschrift geen aversie vertoonde t.o.v. hun Franstalige tegenhanger. Beluister dit gesprek op: André Mommen en Michel Godard op Redactie Radio Centraal

Mommen bleef ook actief als publiek intellectueel. Hij gaf jarenlang lezingen voor het brede sociale middenveld: cultuurfondsen, syndicale milieus en allerhande sociaal-culturele organisaties. Hij kon rekenen op een luisterbereid publiek wanneer hij optrad als expert over hedendaagse maatschappijproblemen of belangrijke historische figuren.

Ook trad André als reisgids op. Zo gidste hij de deelnemers aan een studiereis van IMAVO naar Budapest in 2007 − een studiereis die André helemaal in elkaar had gestoken.

In 2010 besliste de redactie van het VMT uit financiële noodzaak – het wegvallen van de subsidies verstrekt door de Vlaamse overheid ten gevolge van de fameuze zogenaamde ‘kaasschaaf’ – de publicatie stop te zetten als een papieren tijdschrift. De herstart als een digitaal blad bleek niet aan kwaliteit in te boeten. Internationale namen waren nog steeds present. Alleen bleek na haar digitale reconversie duidelijk uit de statistieken, dat het blad zeer weinig echte lezers had. Kort voor Andrés dood besliste Quintelier, na overleg met Jan Dumolyn, de voorzitter van de Raad van Beheer van IMAVO, dan ook om het VMT volledig stop te zetten. 50 jaargangen was een mooi rond getal.4. André was daar enerzijds enigszins wat kwaad over maar anderzijds opgelucht: eindelijk was hij van het veeleisende hoofredacteurschap af. Hij keek wel uit naar nieuwe publicatie-initiatieven die Quintelier met anderen plande. Hij was zelfs bereid daaraan mee te werken, “als het maar niet als hoofdredacteur was”.

Met het verdwijnen van het VMT – er zal in oktober nog een afscheidsnummer verschijnen met onder meer verschillende laatste bijdragen van André zelf − en zijn plotseling overlijden verdwijnt nu ook opnieuw een stuk van de binnen radicaal links al weinig voorstellende echte Vlaamse debatcultuur.

Laat ons nog toe − omdat het zo goed André typeert − te eindigen met een zeer persoonlijke getuigenis: de slotwoorden van zijn zoon Brecht in zijn speech op de uitvaartplechtigheid van zijn vader:

We hadden ook onze perikelen − dat hoort er bij. Het begon met dat ik andere interesses kreeg, andere dingen wou doen. Over andere dingen praten. Ik dacht niet na, ik was impulsief, deed maar wat. We hebben ook een tijd minder contact gehad. We hadden het er wel over. Je zei: dat hoort erbij, een zoon neemt afstand van zijn vader (…) Maar gelukkig is het beter geworden. Een vrouw in mijn leven − jouw schoondochter, mijn kinderen − jouw kleinkinderen. Je kwam me of ons overal opzoeken. We aten lobster in Curaçao, we zaten tussen de gorilla’s in Uganda, je was bij ons trouwen in Nepal, bezocht de geboren Osian en Gino in India, en we dronken Tusker in Vanuatu. Je bereidde je altijd voor – je las alles over het land: geschiedenis, economie, politiek, etnische samenstelling, ga zomaar door. Jij gaf me altijd een briefing over het land − waar ik woonde. Mozambique is helaas niet meer gelukt − ook al had je de boeken al klaar liggen.

Helaas, je hart was zwak, en ik zag je fysiek verzwakken die laatste periode. Nu ben je er niet meer. Ik ben heel blij dat we recent nog een paar mooie dagen gehad hebben. Toen jij die hartstilstand kreeg in Amsterdam eind maart, ben ik 10 dagen bij je geweest. Eerst in Amsterdam, toen in Genk, en uiteindelijk thuis in Rekem. Je was zachter toen − je had minder energie om diep na te denken en kennis te delen − dat is niet erg. We praten over een roman “Het diner”, ik vertelde over mijn werk, we aten asperges en dronken een bier in de zon. Ik herinner me nog “tot in Mozambique” – dat was optimistisch.

De laatste medische ingreep was niet genoeg om het noodlot af te wenden. Uitbehandeld.

We spraken het laatste op 6 mei via skype − 6 dagen voor het noodlot toesloeg. Het was middag, goed weer, je dronk een mooie bel bier. We moesten lachen over waar ik je pizzabord verstopt had − “een speurtocht door eigen huis”. De paper voor een congres in Boedapest was bijna af − deelname onder voorbehoud. Optimisme …

Helaas drie keer is scheepsrecht − die laatste reis is niet meer gelukt.

Het is maar beter zo − niet langzaam sterven in een ziekenhuis − maar plots in eigen tuin tussen de plantjes, vol leven en zonlicht.

Papa, ik hou van je, bedankt dat je mijn papa was. Ik zal je missen.

Sommige mensen ter linkerzijde zullen de charmante, lacherige, kwade, kritische, keihard cynische, zich volledig gevende en sommige initiatieven streng afkeurende… André ten zeerste missen!

Oh, the wind, the wind is blowing,
Through the graves the wind is blowing,
Freedom soon will come,
Then we’ll come from the shadows.

Uit Leonard Cohen: “The Partisan”

[deze bijdrage werd oorspornkelijk gepubliceerd op Lavamedia.be]

 

  1. In het voorwoord van Mommen, A. (1979) De strategie van het politiserend vormingswerk. Een marxistische analyse, Alphen aan de Rijn: Samsom.
  2. “André was ook een veellezer. Bij elke VMT-redactievergadering kwam hij het vergaderlokaal binnen met meer dan één plastiekzak vol met boeken die hij gekocht had bij de betere boekhandels uit de stad waar we vergaderden.” (Guy Quintelier)
  3. Buelinckx, J. (2002) “Radicaal-links in België en de val van de Muur. Hoe overleefden de KP, de SAP en de PVDA de val van het ‘reëel bestaande socialisme’?“.
  4. “André en ik waren nu wel al aan de 51ste jaargang bezig, gezien de belangrijke herdenkingsjaren: 1867 (150 jaar Marx’ Kapital, I), 1917 (100 jaar Russische Revolutie) en (in 2018) 1818 (200ste geboortedag va

 

 

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*